Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
200205652/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2003/94 met annotatie van Pieters
Module Horeca 2003/1908
Module Horeca 2003/2144

Uitspraak

200205652/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2002, kenmerk 02i0004562, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Horeca Exploitatie Parkstad B.V." een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een discotheek gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Kerkrade. Dit besluit is op 10 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 18 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2002, appellant sub 2 bij brief van 19 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2002, en appellanten sub 3 bij brief van 19 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 december 2002.

Bij brief van 23 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door T.H.M. Mertens en A.F. van der Velde, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten sub 1 en sub 2 hebben de grond dat een milieu-effectrapport had moeten worden opgesteld niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellanten sub 3 hebben de grond dat een aantal aannames in het akoestisch rapport van DGMR van 23 juli 2002 (nr. B.2002.0218.A) niet zijn onderbouwd niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 in zoverre niet-ontvankelijk zijn.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 vrezen voor overlast in de omgeving van de discotheek door gedrag van de bezoekers daarvan. In dat verband valt onder meer te denken aan vernielingen, wildplassen en het achterlaten van zwerfvuil, aldus appellanten. Appellanten sub 3 zijn verder van mening dat in de voorschriften permanent cameratoezicht had moeten worden voorgeschreven om deze overlast tegen te gaan.

2.3.1. De Afdeling stelt voorop dat voorzover appellanten overlast vrezen door verstoring van de openbare orde dat geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

De door bezoekers van de inrichting veroorzaakte indirecte hinder, voorzover deze aan het in werking zijn van de inrichting is toe te rekenen, doch die niet een zodanig excessief karakter heeft dat van verstoring van de openbare orde moet worden gesproken, moet daarentegen wel als een bezwaar in de zin van dit wetsartikel worden aangemerkt. In de hier onder staande overwegingen zal de Afdeling daar nader op ingaan.

2.4. Appellanten sub 3 vrezen voor overlast door geparkeerde auto’s. Zij betogen dat er te weinig parkeervoorzieningen ten behoeve van de inrichting zijn. Dit is in het bijzonder het geval wanneer in het in de nabijheid gelegen voetbalstadion wedstrijden van de voetbalclub Roda JC plaatsvinden.

2.4.1. Verweerder stelt dat op het industrieterrein waar de inrichting is gelegen voldoende parkeerterreinen met een toereikend aantal parkeerplaatsen aanwezig zijn, zodat voor wildparkeren niet behoeft te worden gevreesd. Verder stelt verweerder dat de ervaring leert dat het merendeel van de bezoekers van een voetbalwedstrijd van Roda JC binnen een half uur na afloop daarvan huiswaarts is gekeerd.

2.4.2. Ingevolge voorschrift B.12 dient ten behoeve van de discotheek voorafgaande aan de openstelling, in de directe nabijheid (op het industrieterrein) een minimale parkeercapaciteit van 2.000 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn; het parkeren aan de oostzijde van het Parkstad Limburg stadion (zijde Locht) is hierbij niet toegestaan.

Ingevolge voorschrift B.13 dienen de in voorschrift B.12 bedoelde parkeervoorzieningen gratis dan wel gecombineerd met een toegangsbewijs voor discotheekbezoekers ter beschikking te worden gesteld.

2.4.3. De discotheek bevindt zich in een gedeelte van de zogenaamde schil rondom het Parkstad Limburg stadion en heeft een maximum capaciteit van 5.000 bezoekers. In de directe omgeving van het stadion zijn diverse parkeerterreinen gelegen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat vergunninghoudster met de naamloze vennootschap “Stadion Kerkrade N.V.” een overeenkomst heeft gesloten voor het gebruik van parkeerplaatsen rondom het stadion. Ter zitting is gebleken dat op de parkeerterreinen P0, P1, P2, P3 en P7 ruimte is voor 2.024 auto’s. Verder heeft verweerder overwogen dat de in voorschrift B.13 neergelegde verplichting er toe bijdraagt dat bezoekers van de discotheek van deze parkeerterreinen gebruik zullen maken. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften B.12 en B.13 toereikend zijn om overlast van elders door bezoekers van de inrichting geparkeerde auto’s te voorkomen. Dat geldt eveneens voor vrijdag- en zaterdagavonden waarop Roda JC in het voetbalstadion wedstrijden speelt nu deze wedstrijden omstreeks 21.45 uur zijn afgelopen, terwijl uit de aan de vergunning ten grondslag liggende aanvraag is gebleken dat de discotheek pas vanaf 23.00 uur haar deuren opent.

2.5. Appellanten sub 3, omwonenden, vrezen geluidoverlast van autoverkeer van en naar de discotheek wanneer dit verkeer gebruik maakt van de Locht. Zij betwijfelen of de voorschriften B.10 en B.11 toereikend zijn om te voorkomen dat het autoverkeer van de Locht gebruik maakt.

2.5.1. Ingevolge voorschrift B.10 dient vanuit de hoofdstructurenwegen Hamstraat, Heerlerbaan, Imstradenweg en de N281 een duidelijke routegeleiding richting de discotheek en bijbehorende parkeervoorzieningen te worden aangebracht, zodanig dat aanrijden via de Locht in redelijkheid wordt voorkomen.

Ingevolge voorschrift B.11 dient de in voorschrift B.10 bedoelde routegeleiding tevens middels promotie- en communicatie-activiteiten ter kennis worden gebracht van potentiële klanten (flyers, dag- en weekbladen etcetera).

2.5.2. Vast staat dat de discotheek is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 16 september 1996, no. E03.94.1331 (BR 1997, 50) heeft overwogen behoeft de geluidemissie van verkeersbewegingen op een openbare weg (op of buiten het industrieterrein) van en naar een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein niet te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden. De Afdeling is van oordeel dat verweerder in redelijkheid met de voorschriften B.10 en B.11 heeft kunnen volstaan.

2.6. Appellanten sub 3 betogen dat in afwijking van voorschrift B.15 al voor 23.00 uur toezicht dient te worden uitgeoefend. Verder vinden zij het onduidelijk wat onder “directe omgeving” in dit voorschrift dient te worden verstaan. Ook had in dit voorschrift het aantal toezichthouders expliciet moeten worden opgenomen, aldus appellanten sub 3.

2.6.1. Verweerder stelt dat de term “directe omgeving” voldoende duidelijk is. In dat verband wijst hij er op dat ook in voorschrift 3.4.3 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer is opgenomen dat er toezicht moet worden gehouden in de directe omgeving van de inrichting.

2.6.2. Ingevolge voorschrift B.15 dient vanaf openstelling tot minimaal 1 uur na sluitingstijd op de parkeervoorzieningen alsmede in de directe omgeving van de discotheek, continu toezicht te worden gehouden; de exploitant dient de benodigde capaciteit aan toezichthouders naar redelijkheid af te stemmen op het aanbod aan komende en vertrekkende bezoekers.

2.6.3. Verweerder heeft overwogen dat voor 23.00 uur geen toezicht behoeft te worden uitgeoefend omdat de discotheek pas om 23.00 uur haar deuren opent, gelegen is op een gezoneerd industrieterrein en het er met name om gaat overlast gedurende de nachtperiode, die pas om 23.00 uur begint, te voorkomen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder er in redelijkheid van heeft kunnen afzien om in voorschrift B.15 op te nemen dat vanaf een eerder tijdstip toezicht dient te worden uitgeoefend.

Verder heeft verweerder overwogen dat het aantal toezichthouders dat dient te worden ingezet afhankelijk is van het feitelijk aantal bezoekers van de discotheek gedurende een avond. Daarin bestaat nog geen inzicht zodat het niet mogelijk is het aantal toezichthouders nader te concretiseren. De Afdeling is van oordeel dat de in voorschrift B.15 neergelegde verplichting in zoverre voldoende bepaalbaar moet worden geacht.

Voorts heeft verweerder overwogen dat de term “directe omgeving” vooral betrekking heeft op de parkeerterreinen en de ruimte tussen de parkeerterreinen. De Afdeling is van oordeel dat de term directe omgeving in voorschrift B.15 voldoende duidelijk is.

Overigens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat door verweerder een begeleidingsgroep is ingesteld met vertegenwoordigers van verweerder, de exploitant van de inrichting, vertegenwoordigers van bewoners van De Locht, de brandweer en de politie om de feitelijke gang van zaken na opening van de discotheek te volgen en te evalueren. De uitkomst daarvan kan van invloed zijn op de aan de vergunning nader te verbinden voorschriften.

2.7. Appellanten sub 3 betwijfelen of er wel voldoende afschermende werking van geparkeerde auto’s uitgaat, aangezien op parkeerplaats P0 niet mag worden geparkeerd.

2.7.1. Ter zitting is gebleken dat op parkeerplaats P0 wel mag worden geparkeerd. Voorzover appellanten sub 3 parkeerplaats P5 bedoelen, waar ingevolge voorschrift B.12 niet mag worden geparkeerd, heeft verweerder gesteld dat gelet op de afstand tussen de overige parkeerterreinen, waar wel mag worden geparkeerd, en de woningen gelegen aan de Locht er niet voor geluidoverlast valt te vrezen. In hetgeen appellanten sub 3 hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.8. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 niet-ontvankelijk wat het beroepsonderdeel betreft dat een milieu-effectrapport had moeten worden opgesteld en verklaart het beroep van appellanten sub 3 niet-ontvankelijk wat het beroepsonderdeel betreft dat een aantal aannames in het DGMR rapport van 23 juli 2002 niet zijn onderbouwd;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003

312-307.