Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
200206940/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206940/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Neerijnen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2002, kenmerk , heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een metaalbewerkingsbedrijf aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Varik/Heesselt. Dit besluit is op 28 november 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2003, waar [appellant], en verweerder, vertegenwoordigd door Th. Roelofs en E. Jansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [naam] en [naam], vergunninghouders, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Ingevolge artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer moet, indien de aanvraag om een vergunning of ontheffing betrekking heeft op een inrichting of werk, de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval geschieden op het gemeentehuis van de gemeente waarin de inrichting of het werk geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, en moet van het ontwerp gelijktijdig mededeling worden gedaan door niet op naam gestelde kennisgeving aan de gebruikers van gebouwde eigendommen die in de directe omgeving van de inrichting of het werk liggen, voorzover zodanige kennisgeving kan dienen om het beoogde doel te bereiken.

De Afdeling stelt vast dat appellant geen bedenkingen heeft ingebracht tegen het ontwerpbesluit. Het gestelde onder b en c van artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer is hier niet van toepassing. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat verweerder aan appellant als gebruiker van een gebouwde eigendom die in de directe omgeving van de inrichting is gelegen geen kennisgeving van het ontwerpbesluit heeft toegezonden. Hiermee heeft verweerder in zoverre in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Appellant kan derhalve worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 20.6, tweede lid, onder d, en is derhalve ontvankelijk in zijn beroep.

2.2. Appellant voert aan dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden.

De Afdeling overweegt dienaangaande dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Het beroep treft derhalve geen doel.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Klap

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003

315.