Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
200203938/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2003/77 met annotatie van Tieman
JAF 2003/18 met annotatie van Van der Meijden
AB 2003, 212
M en R 2003, 98
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/1322

Uitspraak

200203938/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Knorhof B.V.", gevestigd te Kapel-Avezaath,

2. [appellante sub 2] en anderen, wonend te Erichem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2002, kenmerk MV 2002-01, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een varkenshouderij gelegen op het perceel Burensewal 3 te Kapel-Avezaath, kadastraal bekend gemeente Buren, sectie P, nummers 343, 344 en 345. Dit besluit is op 20 juni 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 19 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 30 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 13 september 2002.

Bij brief van 14 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, O.D. Zwakman en C. den Hertog, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vraag of verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen heeft betrekking op een aspect dat de Afdeling ambtshalve bij haar beoordeling moet betrekken. De Afdeling zal derhalve in de eerste plaats op deze vraag ingaan.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 8.1 van bijlage I behorende bij het Besluit betreft – voor zover hier van belang – inrichtingen voor: a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Ingevolge categorie 28.4, zoals opgenomen in bijlage I behorende bij het Besluit, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor onder meer: onder a, sub 6°: het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer, en onder c,

sub 1°, voorzover hier van belang: het mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

In artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, (hierna te noemen: de Richtlijn) wordt "afvalstof" gedefinieerd als: "Elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen".

In artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt houder nader omschreven als: "De producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft".

In bijlage I, onder Q8, van de Richtlijn is als categorie afvalstof vermeld: bij industriële procédés ontstane residuen (bijvoorbeeld slakken, distillatieresiduen enz.).

2.3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-129/96 (Inter-Environnement Wallonie) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term "zich ontdoen van".

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311), onder meer voor recht verklaard dat de omstandigheden dat een als brandstof gebruikte stof het residu is van een productieproces van een andere stof en dat die stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kan komen, als aanwijzingen kunnen worden beschouwd voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn. Of inderdaad sprake is van een afvalstof in de zin van de Richtlijn moet evenwel worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

2.4. Uit de tekening die behoort bij de vergunningaanvraag die ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit blijkt dat onder andere een brijvoerkeuken en 20 voerbunkers van elk 70 m3 voor bijproducten zijn aangevraagd. In de voerbunkers wordt onder meer kaaswei en bierbostel opgeslagen. Uit de aanvraag blijkt verder dat een opslag voor 375 m³ bietenpulp is aangevraagd. Ter zitting is gebleken dat deze bijproducten van buiten de inrichting afkomstig zijn.

De hiervoor genoemde bijproducten zijn residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie en vallen als zodanig onder categorie Q8 van bijlage I van de Richtlijn. Niet is gebleken dat is beoogd deze bijproducten te produceren als veevoeder. De Afdeling is derhalve van oordeel dat de leveranciers van deze bijproducten zich van deze producten ontdoen of moeten ontdoen, in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn en dat de bijproducten daarom zijn aan te merken als een afvalstof.

Vaststaat derhalve dat vergunning is aangevraagd voor een inrichting die over de capaciteit beschikt om meer dan 50 m³ van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, welke niet genoemd zijn in categorie 28.4, onder a, sub 1 tot en met 5, op te slaan en vervolgens te mengen en thermisch te behandelen. De categorieën 28.7 of 28.8 van bijlage I behorende bij het Besluit, waarin een uitzondering is gemaakt op onder andere categorie 28.4, onder a, sub 6, zijn niet van toepassing.

2.5. Verweerder en appellante sub 1 hebben ter zitting betoogd dat de inrichting, nu deze in hoofdzaak een veehouderij betreft, slechts valt onder categorie 8.1 van bijlage I behorende bij het Besluit en niet onder categorie 28.4 van deze bijlage, zodat verweerder ten aanzien van deze inrichting het bevoegd gezag is. Zij hebben ter onderbouwing van hun standpunt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 februari 2003, kenmerk SAS/2003003494 (Stcrt. 2003, 31).

De Afdeling is echter, gelet op de tekst van en de toelichting op het Besluit, van oordeel dat het mogelijk is dat op een inrichting meer dan één categorie-omschrijving van toepassing is. Wanneer dat het geval is en één van de categorie-omschrijvingen gedeputeerde staten aanwijst als bevoegd gezag, gaat blijkens de toelichting die aanwijzing voor. Het standpunt vervat in de brief van de Staatssecretaris kan daar niet aan afdoen.

2.6. Gelet op het vorenoverwogene is op de inrichting naast categorie 8.1 ook categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit van toepassing. Nu in categorie 28.4 het college van gedeputeerde staten is aangewezen als bevoegd gezag in plaats van verweerder, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3.1 en bijlage I van het Besluit.

2.7. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd. De Afdeling laat de beroepsgronden buiten bespreking.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Buren van 11 juni 2002, kenmerk MV 2002-01;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Buren in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, voor appellante sub 1, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot een bedrag van € 682,67 voor appellanten sub 2, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de gemeente Buren te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Buren aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellante sub 1 en € 109,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Koten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003

324.