Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8605

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
200204735/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 1
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Wet bodembescherming 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/290
JBO 2005/290
M en R 2003, 113

Uitspraak

200204735/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2000, kenmerk DWM/2000/3666, heeft verweerder vastgesteld dat het geval van bodemverontreiniging op de Voorofscheweg te Boskoop ernstig is en dat de sanering van dit geval niet urgent is.

Bij besluit van 9 augustus 2002, kenmerk DGWM/DMB/4498A, verzonden op 13 augustus 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 28 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2002, appellant sub 2 bij brief van 18 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2002, en appellant sub 3 bij brief van 19 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2003, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Blondelle en F. van der Ham (ambtenaren van de provincie) zijn verschenen. Tevens zijn A.M. Wijma en R.J.A. Kervezee daar namens het college van burgemeester en wethouders van Boskoop gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten voeren aan dat niet is aangetoond dat de bodem op hun percelen verontreinigd is. Zij zijn van mening dat hun percelen geen deel uit maken van het geval van bodemverontreiniging. Zij stellen hierbij dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op de gehele onderzoekslocatie en dat de nota “Onderzoeksstrategie nader onderzoek op stortplaatsen in Zuid-Holland” niet zondermeer had mogen worden toegepast.

2.1.1. Verweerder voert aan dat in het door hem gehanteerde beleidsstuk “Gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid van de Provincie Zuid-Holland, de Gemeente Rotterdam en de Gemeente Den Haag” van juli 1998 wordt aangegeven dat voor slootdempingen zoals de onderhavige de nota “Onderzoeksstrategie nader onderzoek op stortplaatsen in Zuid-Holland” dient te worden gevolgd. Bij deze onderzoeksstrategie wordt er vanuit gegaan dat een slootdemping een geval van ernstige verontreiniging betreft, tenzij uit onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Dit omdat het gestorte materiaal doorgaans heterogeen van samenstelling en slecht bereikbaar voor onderzoek is. Mede omdat er in het verleden een of meerdere illegale dumpingen hebben plaatsgevonden en omdat onder andere asfalt, verfblikken en vaten zijn aangetroffen is het, volgens verweerder, niet uit te sluiten dat de slootdempingen afvalstoffen bevatten die een potentieel gevaar voor de volksgezondheid en het milieu opleveren.

Verweerder stelt verder dat uit het naar aanleiding van de door appellanten ingediende bezwaren door het onderzoeksbureau “Tauw b.v.” uitgevoerde aanvullend bodemonderzoek opnieuw is gebleken dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging waarbij plaatselijk in het stortmateriaal sterke verontreinigingen met PAK’s zijn aangetroffen. De redenering van appellanten dat er geen verontreinigingen op hun percelen zijn aangetroffen en dat die percelen daarom geen deel van het geval van verontreiniging zou uitmaken, volgens verweerder, een onwenselijke afwijking van de gevalsdefinitie en het door hem met betrekking tot slootdempingen gevoerde beleid inhouden.

2.1.2. In artikel 1 bepaalt de Wet bodembescherming, voorzover hier van belang, dat onder een geval van verontreiniging moet worden verstaan: een geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Het door verweerder gehanteerde beleid waarbij een met afvalstoffen gedempte sloot, mede vanwege het heterogene karakter van de hierbij doorgaans aangetroffen verontreinigingen, als één geval van verontreiniging wordt beschouwd, is naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met dit artikel indien uit onderzoek blijkt dat er inderdaad verontreinigingen in het dempingsmateriaal aanwezig zijn.

Vast staat dat de slootdemping over de grens van de percelen van appellanten heen loopt. Uit de in opdracht van verweerder uitgevoerde bodemonderzoeken komt naar voren dat plaatselijk in het stortmateriaal sterke verontreinigingen met PAK’s zijn aangetroffen. Dat niet ieder perceel waar de gedempte sloot zich bevindt zelfstandig als ernstig verontreinigd kan worden beschouwd, doet er niet aan af dat de gehele demping terecht als één geval van verontreiniging kan worden aangemerkt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het deel van de slootdemping dat zich over de percelen van appellanten uitstrekt deel uitmaakt van het onderhavige geval van verontreiniging. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.2. Appellanten voeren verder aan dat de kadastrale aantekening ten onrechte en niet conform artikel 55, tweede lid, van de Wet bodembescherming is geplaatst.

2.2.1. Verweerder stelt op grond van artikel 55 van de Wet bodembescherming verplicht te zijn een afschrift van het bestreden besluit aan het Kadaster toe te zenden. Voorzover de kadastrale aantekening niet geheel conform artikel 55, tweede lid, van deze wet heeft plaats gehad, stelt verweerder dit verzuim te zullen herstellen.

2.2.2. Artikel 55, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt, voorzover hier van belang, dat gedeputeerde staten onverwijld een afschrift van een beschikking als bedoeld in de artikelen 29, eerste lid, en 37, eerste lid, doen toekomen aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers ter vermelding van een korte aanduiding van de aard van die beschikking bij de betrokken percelen in de kadastrale registratie, bedoeld in artikel 48 van de Kadasterwet, welke vermelding onverwijld geschiedt.

Artikel 55, tweede lid, van de Wet bodembescherming bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde beschikking en bevelen vermelden, onder verwijzing naar een bijgevoegde kadastrale kaart, ten aanzien van de onroerende zaken waarop zij betrekking hebben, de kadastrale aanduiding daarvan, de grootte van elk der desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie en, indien een in een beschikking dan wel bevel opgenomen onroerende zaak tevens een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte. Op de bijgevoegde kadastrale kaart zijn de desbetreffende onroerende zaken en de bijbehorende percelen en perceelgedeelten duidelijk aangegeven.

2.2.3. Onomstreden is dat verweerder weliswaar verzuimd heeft de grootte van het gedeelte van de percelen waarop de beschikking betrekking heeft weer te geven, maar op de kadastrale kaart het geval van bodemverontreiniging op juiste wijze heeft weergegeven. De Afdeling stelt vast dat verweerder heeft aangegeven dit verzuim waar appellanten op wijzen spoedig te zullen herstellen. Het is gebleken dat appellanten noch eventuele andere belanghebbenden door het verzuim zijn benadeeld. Gelet hierop ziet de Afdeling in het verzuim geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3. De beroepen zijn ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003

315.