Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
200205868/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205868/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de stichting “Stichting Algemeen Beheer en Bestuur Kinderopvang”, h.o.d.n. Stichting Vill’ABB, en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Familia Maxima B.V.”, beide gevestigd te Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 17 september 2002 in het geding tussen:

appellante sub 1

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) de aan appellante sub 1 (hierna: Vill’ABB) verleende vergunning voor het drijven van het kindercentrum aan de Jan van Nassaustraat 115 te Den Haag met ingang van 1 augustus 2002 ingetrokken.

Bij besluit van 17 mei 2002 heeft het college het besluit van 22 april 2002 in zoverre herzien, dat de vergunning met ingang van 1 augustus 2002 niet verlengd zal worden. Voorts heeft het college Vill’ABB daarbij gelast om uiterlijk het kindercentrum op 1 augustus 2002 om 0.00 uur te sluiten en vanaf dat moment gesloten te houden.

Bij besluiten van 8 augustus 2002 heeft het college de tegen de voormelde besluiten door Vill’ABB gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft het college het besluit van 8 augustus 2002, voorzover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2002 ongegrond is verklaard, ingetrokken en dat bezwaar conform het desbetreffende advies van de Adviescommissie bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2002, verzonden op 24 september 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Den Haag (hierna: de voorzieningenrechter) het tegen het besluit van 23 augustus 2002 door Vill’ABB ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Vill’ABB en appellante sub 2 (hierna: Familia Maxima) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 14 en 15 januari 2003 hebben Vill’ABB en Familia Maxima nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. ing. A.M. Christiaans, ambtenaar bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het belang van Familia Maxima is uitsluitend gelegen in de relatie tot de stichting Vill’ABB als bestuurder van die stichting. Het enkel zijn van bestuurder is onvoldoende om ten aanzien van het niet verlengen van de vergunning voor het kindercentrum aan de Jan van Nassaustraat 115, te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het belang van Familia Maxima bij dat besluit is afgeleid van dat van de stichting.

2.2. Voorzover Vill’ABB betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aanvaard dat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 13 van de Verordening op de kindercentra 1995 (hierna: de Verordening), door herhaaldelijk te weinig functionarissen in verhouding tot het aantal aanwezige kinderen aanwezig te hebben, faalt dat betoog. Voor de motivering van dat oordeel verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 14 mei 2003, no. 200204372/1, die is aangehecht.

2.3. Het betoog van Vill’ABB dat de huidige bedrijfsvoering conform de geldende wet- en regelgeving is en derhalve niet tot intrekking van de vergunning mag worden overgegaan, faalt eveneens. Gelet op de bij de inspecties van 29 januari 2002 en 15 april 2002 geconstateerde overtredingen van artikel 13 van de Verordening, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de geldigheid van de vergunning per 1 augustus 2002 niet te verlengen.

2.4. Hetgeen Vill’ABB overigens nog naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel dan dat, waartoe de voorzieningenrechter is gekomen.

2.5. Gelet op het vorenstaande, dient het hoger beroep van Familia Maxima niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hoger beroep van Vill’ABB is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van Familia Maxima B.V. niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003

91-426.