Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
200203941/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenbehandeling laten aanvraag vergunning exploitatie recreatie-inrichting. Alleen aanvrager heeft rechtstreeks belang.

Bij een besluit op een aanvraag om een vergunning voor het exploiteren van een recreatie-inrichting strekkende tot het buiten behandeling laten van deze aanvraag, is, evenals bij een besluit tot weigering van de gevraagde vergunning , slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken.

De burgemeester van Den Haag, verweerder

mrs. E.M.H. Hirsch Ballin, J.A.W. Scholten-Hinloopen, A.W.M. Bijloos

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 302
Module Horeca 2003/2191

Uitspraak

200203941/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. de Stichting Bewonersorganisatie Stationsbuurt, gevestigd te Den Haag,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats]

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 12 juni 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de burgemeester van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2001 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) de aanvraag van [aanvrager] om op voet van artikel 57 van de Algemene Politieverordening (hierna: APV) vergunning te verstrekken voor het exploiteren van een alcoholvrije recreatieinrichting (pizza- en broodjeszaak annex bakkerij) Sükür Firini, gevestigd in het pand [locatie] te Den Haag, op grond van het bepaalde in artikel 61A, onder c, van de APV, buiten behandeling gelaten.

Bij separate besluiten, elk van 18 oktober 2001, heeft de burgemeester, voor zover van belang, het daartegen door appellante sub 2 en appellante sub 3 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2002, verzonden op 18 juni 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover van belang, het daartegen door appellante sub 1 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen van appellanten sub 2 en 3 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief ingekomen bij de Raad van State op 22 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 oktober 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [appellant sub 3], en appellanten sub 2 en 3, in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het hoger beroep van appellante sub 1

2.1. Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt - voor zover thans van belang - dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.

Vaststaat dat appellante sub 1 geen bezwaar heeft gemaakt tegen het aan dit geschil ten grondslag liggende besluit van 20 juni 2001.

Onweersproken is gebleven dat appellante sub 1 kort na de toezending van het besluit aan de aanvrager, aan appellante sub 2 en aan appellante sub 3, door die partijen van de inhoud ervan op de hoogte is gesteld. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat niet valt in te zien, waarom appellante sub 1 niet een bezwaarschrift heeft kunnen indienen, zoals de andere appellanten wèl hebben gedaan.

De beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellante sub 1, is juist.

Het daartegen gerichte hoger beroep is derhalve ongegrond.

Het hoger beroep van appellante sub 2 en sub 3

2.2. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1. Bij een besluit op een aanvraag om een vergunning voor het exploiteren van een recreatie-inrichting strekkende tot het buiten behandeling laten van deze aanvraag, is, evenals bij een besluit tot weigering van de gevraagde vergunning, slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken. Nu appellante sub 2 noch appellante sub 3 een dergelijke vergunning heeft aangevraagd, kunnen zij niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.2.2. Het oordeel van de burgemeester dat de bezwaren van appellanten sub 2 en 3 niet–ontvankelijk zijn, is door de rechtbank terecht bevestigd. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.3. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. De Koning

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003

221.