Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
200201354/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/334
Milieurecht Totaal 2003/2784

Uitspraak

200201354/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "DIMA SMT Systems NL B.V." en anderen, alle gevestigd te Deurne,

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders te Deurne,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2002, kenmerk 18 201, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het verwerken van uien en groenten op het adres [locatie]. Dit besluit is op 25 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 5 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 6 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 5 augustus 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2002, waar appellanten sub 1 en appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, en verweerder, vertegenwoordigd door M.P.C.J.M. van der Linden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten sub 1 en sub 2 hebben de grond inzake de wijziging van de vergunningaanvraag ter zitting ingetrokken.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten sub 1 en sub 2 vrezen voor visuele hinder vanwege de inrichting. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Appellanten hebben in hun beroepschriften noch ter zitting uiteengezet waarin deze vrees is gelegen en welke maatregelen zij voorstaan ter voorkoming dan wel beperking van visuele hinder die thans niet in de vergunning zijn opgenomen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.4. Appellanten sub 1 en sub 2 vrezen ernstige geuroverlast vanwege de onderhavige inrichting. Zij betogen, kort samengevat, dat de geurnorm die in het aan de vergunning verbonden voorschrift B1 is neergelegd onvoldoende waarborgen biedt, vooral nu het een nieuwe inrichting betreft. Voorts stellen appellanten sub 1 dat hun kantoorgebouwen, die in de nabijheid van de inrichting staan, ten onrechte niet zijn aangemerkt als geurgevoelige objecten die bescherming behoeven tegen geurhinder.

2.4.1. Bij het vaststellen van de geurvoorschriften heeft verweerder blijkens het bestreden besluit de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995, LE/LV/AJS95.16B, als basis genomen. In deze brief is als algemeen uitgangspunt geformuleerd dat (nieuwe) geurhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Als er wel geurhinder is, dienen maatregelen te worden getroffen die stroken met het ALARA-beginsel, dat is neergelegd in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. De mate van hinder die nog acceptabel is, moet volgens de brief worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan. Verweerder heeft zich bij de beoordeling van geuroverlast vanwege de inrichting mede gebaseerd op door Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. opgestelde geurrapporten van 23 februari 1999 en 14 februari 2001. Blijkens deze rapporten is door middel van verspreidingsberekeningen en een bepaling van de intensiteit van de geurbelasting het hinderniveau rond de inrichting onderzocht. Uit de rapporten blijkt dat de hedonische waarde –0,5 (neutraal tot enigszins onaangenaam) ligt bij ongeveer 3 geureenheden (hierna: ge) per m3 als 98-percentielwaarde en het hinderniveau 1 (nauwelijks hinder) bij

2 ge/m3 als 98-percentielwaarde. Voorts kan uit de rapporten worden afgeleid dat de dichtstbijzijnde woningen van derden niet alleen buiten de

2 ge/m3 als 98-percentielwaarde staan, maar tevens buiten de 1 ge/m3 als 98-percentielwaarde. Mede gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat verweerder de uitkomsten van deze rapporten aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verweerder heeft in het aan de vergunning verbonden voorschrift B1 de strengere norm van 2 ge/m³ als 98-percentiel ter plaatse van woningen van derden opgenomen, omdat het hier een nieuwe situatie betreft. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat hij niet een geurnorm van 1 ge/m3 als 98-percentielwaarde heeft opgenomen, omdat het precieze rendement van het aangevraagde en vergunde geurreductiesysteem nog niet bekend is en er bij 2 ge/m³ nauwelijks hinder wordt ondervonden.

Gegeven de aan verweerder toekomende beoordelingsvrijheid en gelet op de uitgebrachte rapporten over geurhinder vanwege de inrichting en het deskundigenbericht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geurnorm die in voorschrift B1 is opgenomen een toereikend beschermingsniveau biedt.

Wat de bescherming van de kantoorgebouwen van appellanten sub 1 betreft, overweegt de Afdeling dat verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat deze minder bescherming behoeven tegen geurhinder dan woningen en dat voorschrift B1 mogelijke geurhinder bij de kantoorgebouwen voldoende beperkt. Ingeval de indirecte bescherming zou verminderen dan wel geheel zou wegvallen wegens het verdwijnen van woningen van derden, staat het verweerder vrij om de vergunning op dit punt alsnog aan te scherpen.

2.5. Appellanten sub 1 en sub 2 betogen verder dat onzeker is of aan de gestelde geurnorm kan worden voldaan. Ten aanzien van het rendement van de reinigingstechniek FF-AR hadden geuronderzoek en hedonische analyses moeten worden uitgevoerd, zo stellen zij. De pilotstudie die ten aanzien hiervan is uitgevoerd, is volgens hen onvoldoende. Verder zijn de gezondheidskundige en de milieuhygiënische aspecten van de wasvloeistof FF-AR naar hun mening onderbelicht. Daarnaast stellen appellanten sub 1 en sub 2 dat in de voorschriften ten onrechte niet is bepaald dat geuronderzoek periodiek dient te worden uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige en onder representatieve bedrijfsomstandigheden. Ook is volgens hen ten onrechte niet in de voorschriften opgenomen dat verweerder bevoegd is een geuronderzoek voor te schrijven indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.

2.5.1. Uit de stukken blijkt dat het rendement van de reinigingstechniek FF-AR gebaseerd is op een pilotstudie, die is uitgevoerd op de huidige locatie van vergunninghouder. Bij de verspreidingsberekeningen is vanwege mogelijke meetfouten een rendement van 85 procent aangehouden in plaats van het geteste resultaat van 88 tot 97 procent. Daarnaast heeft verweerder een indicatieve verspreidingsberekening uitgevoerd met een rendement van 65% voor het geval het rendement onverhoopt lager mocht uitvallen. Ook dan wordt volgens verweerder de gestelde geurnorm ter plaatse van woningen niet overschreden. Mede gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat deze stelling juist is. Nu de gestelde geurnorm ook bij een veel lager rendement dan waarvan is uitgegaan in de vergunningaanvraag kan worden nageleefd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van het rendement van de reinigingstechniek FF-AR nader geuronderzoek en hedonische analyses hadden moeten worden uitgevoerd.

2.5.2. Wat de gezondheidskundige en de milieuhygiënische aspecten van de wasvloeistof FF-AR betreft, overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenbericht is vermeld dat de voedingswaren in de productiehallen en opslagruimten niet in contact komen met de wasvloeistof en dat de verontreinigde wasvloeistof op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt afgevoerd. Voorts is in de aanvraag gesteld dat de stoffen waaruit de wasvloeistof FF-AR bestaat biologisch afbreekbaar zijn. Niet is gebleken dat deze bevindingen onjuist zijn. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning vanwege het aangevraagde en vergunde gebruik van de wasvloeistof FF-AR had moeten worden geweigerd dan wel dat wat dit betreft aanvullende voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden.

2.5.3. Ten aanzien van de door appellanten sub 1 en sub 2 verlangde voorschriften over geuronderzoek, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge voorschrift B.8 dient uiterlijk 2 maanden na het in gebruik nemen van de inrichting aan het college van burgemeester en wethouders van Deurne een rapport te worden overgelegd waarin ten minste de betreffende voorzieningen, de capaciteitsbepaling, de procesparameters, de wijze waarop de goede werking van het systeem wordt gewaarborgd en een onderhoudsprogramma zijn vermeld. Ingevolge voorschrift B.9, voorzover hier van belang, moet de goede werking van de geuremissiereducerende voorzieningen verifieerbaar zijn aan de hand van een installatierapport van de leverancier waarin de specificaties van de voorzieningen in relatie tot de geuremissie vermeld staan. Op grond van voorschrift B.10 dient binnen drie maanden nadat de inrichting in werking is gesteld onderzoek te worden gedaan naar de geuremissie en de resulterende geurimmissie. Het onderzoek moet worden uitgevoerd onder representatieve omstandigheden. Voorts moet, zo is bepaald, in het onderzoeksrapport ten minste zijn aangegeven of aan de gestelde geurgrenswaarde wordt voldaan en zo niet, welke aanvullende voorzieningen hiertoe moeten worden getroffen en de termijnen waarbinnen deze maatregelen worden genomen. Het onderzoek moet bovendien worden uitgevoerd conform paragraaf 3.7.4 van de Nederlandse Emissierichtlijn Lucht en het Document Meten en Rekenen Geur. Ingevolge voorschrift B.13, voorzover hier van belang, moeten de geuremissiereducerende voorzieningen conform het onderhoudsprogramma op een goede werking worden gecontroleerd.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn en dat voorschriften met betrekking tot het uitvoeren van periodiek onderzoek door een onafhankelijke deskundige of het opleggen van onderzoek indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven niet nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu.

Voorzover appellanten sub 1 en sub 2 vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.6. Appellanten sub 1 en sub 2 betogen dat ten onrechte in voorschrift B2 niet is bepaald dat registratie van de productietijden dagelijks dient plaats te vinden.

2.6.1. Gelet op de registratie- en onderzoeksverplichtingen die reeds uit de vergunning volgen, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorschrijven van een dagelijkse registratieverplichting van de productietijden niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu.

2.6.2. De overige bezwaren van appellanten sub 1 en sub 2 tegen voorschrift B2 hebben betrekking op voorschrift B2 zoals dat in het ontwerp van het besluit was opgenomen. Nu dit voorschrift in het definitieve besluit is vervallen, heeft dit bezwaar geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan dit hierom niet slagen.

2.7. Appellanten sub 2 vrezen onaanvaardbare geluidhinder vanwege de aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het piekgeluidniveau. Verweerder is volgens hen ongemotiveerd afgeweken van de in het ontwerp van het besluit opgenomen grenswaarde van 60 dB(A) etmaalwaarde. Verder stellen appellanten sub 2 te betwijfelen of het akoestische rapport, waarin is gesteld dat aan de opgenomen geluidgrenswaarden kan worden voldaan, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Bovendien zijn daarin ten onrechte de koelwagens niet opgenomen die op het terrein worden gestald, aldus appellanten sub 2.

2.7.1. Ingevolge voorschrift A.4.2 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de inrichting ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 70, 65 en

60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft bij het stellen van deze grenswaarden hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 tot uitgangspunt genomen. De gestelde grenswaarden vallen binnen de marges die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Gelet op het door verweerder gehanteerde beoordelingskader ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder deze grenswaarden niet in redelijkheid toereikend kon achten. Dat in het ontwerp van het besluit lagere grenswaarden waren opgenomen, doet hieraan niet af.

2.7.2. Met betrekking tot het akoestisch onderzoek is in het deskundigenbericht gesteld dat dit onderzoek een adequaat beeld geeft van de optredende geluidniveaus. Niet is gebleken dat deze bevinding onjuist is. Wat de stalling van koelwagens met draaiende koelmotoren betreft overweegt de Afdeling dat deze activiteit niet is aangevraagd en derhalve niet is vergund. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het akoestisch onderzoek niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen. Gelet hierop is verweerder er op goede gronden vanuit gegaan dat de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

2.8. Appellanten sub 1 en sub 2 stellen dat de productiecapaciteit en de bedrijfstijden ten onrechte niet in de voorschriften zijn opgenomen.

2.8.1. De Afdeling stelt vast dat in de gegevens die ter aanvulling bij de aanvraag om de vergunning zijn gevoegd de productiecapaciteit en de bedrijfstijden zijn vermeld. Zij stelt verder vast dat in het bestreden besluit niet is bepaald dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder beoogd deze gegevens onderdeel te laten uitmaken van de vergunning door deze te waarmerken als behorende bij het besluit. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep van appellanten sub 1 en

sub 2 dient op dit punt derhalve gegrond te worden verklaard. Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven zich ermee te kunnen verenigen dat de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op dit punt zelf in de zaak voorziet.

2.9. Uit het vorenstaande volgt, dat de beroepen gedeeltelijk gegrond dienen te worden verklaard.

2.10. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond voorzover verweerder niet heeft voorgeschreven dat de aanvraag om vergunning, voorzover deze betrekking heeft op de productiecapaciteit en de bedrijfstijden, deel uitmaakt van de vergunning;

II. bepaalt alsnog dat de aanvraag om vergunning in zoverre deel uitmaakt van de vergunning;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders te Deurne in de door appellanten sub 1 en sub 2 in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 483,00, elk afzonderlijk, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Deurne te worden betaald aan appellanten sub 1 en sub 2;

V. gelast dat de gemeente Deurne aan appellanten sub 1 en sub 2 het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellanten sub 1 en € 109,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2003

255-415.