Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8309

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
200202655/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202655/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2001 heeft de gemeenteraad van Beesel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 juli 2001, het bestemmingsplan "Rijksweg 73-zuid" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 april 2002, kenmerk 2002/14411, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 15 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2003, waar appellant en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Blanksma, advocaat te Amsterdam, mr. H.J.M. Achten en mr. R.Th.B. Drummen MM, ambtenaren bij de provincie, zijn verschenen.

Verder zijn daar de gemeenteraad van Beesel, vertegenwoordigd door ing. S.H.H. Breeuwer, ambtenaar bij de gemeente, en de Minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van de Rijksweg 73-Zuid in de gemeente Beesel. Het plangebied omvat het tracé van de Rijksweg en enkele omliggende gronden.

2.2. Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. Appellant woont aan de Rijksweg N271, op korte afstand van de aan te leggen Rijksweg 73-Zuid en nabij de Bussereindseweg, een nieuwe verbindingsweg.

Hij richt zijn beroep tegen de goedkeuring van het plan op twee onderdelen.

Appellant is van mening dat het plan de privacy van zijn gezin en zijn naastwonende ouders onvoldoende waarborgt. Hij vindt dat het plan zou moeten voorzien in de aanleg van struikgewas tussen zijn woning en de Bussereindseweg. Verder is appellant van mening dat op de N271 ter hoogte van zijn woning een verkeersvoorziening zou moeten worden aangebracht om een veilige aansluiting van zijn woning op deze weg te garanderen. Volgens appellant kan dit worden vormgegeven door een voorsorteerstrook of door een parallelweg die aansluit op de verderop gelegen rotonde.

2.5. De gemeenteraad acht het planten van struiken bij de woning van appellant niet wenselijk om de openheid van het landschap te bewaren.

De gemeenteraad heeft verder overwogen dat appellant terecht opmerkt dat door het voorsorteren voor zijn woning verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. Volgens de gemeenteraad zou echter ook een voorsorteervak tot verkeersonveilige situaties kunnen leiden. Door de ligging van het voorsorteervak ten opzichte van de topboog van het verder gelegen viaduct zou een stilstaande auto door aankomend verkeer te laat kunnen worden opgemerkt.

2.6. Verweerder heeft overwogen dat het plaatsen van beplanting mogelijk is binnen de gronden met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden”. Ook het landschapsplan verzet zich volgens verweerder niet dwingend tegen het afschermen van de woning middels beplanting langs de Bussereindseweg.

Verweerder is voorts van mening dat het aanbrengen van een voorsorteerstrook bij de woning van appellant niet gewenst is uit een oogpunt van verkeersveiligheid. Hij wijst erop dat appellant, komend vanuit de richting Swalmen, zou kunnen doorrijden tot aan de rotonde om van daaruit terug te keren en rechtsaf te slaan om zijn woning te bereiken. Volgens verweerder heeft Rijkswaterstaat toegezegd om het weggedeelte bij de inrit van de woning te verlichten.

2.7. De gronden van appellant zijn bestemd als "Agrarische gebied met landschappelijke waarden –Aln-". Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik, het behoud en herstel van de aldaar voorkomende landschappelijke waarden alsmede verkeer en recreatief medegebruik, voor wat betreft het gebruik van wegen en paden.

Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat het planten van struiken op gronden met de bestemming "Agrarische gebied met landschappelijke waarden –Aln-" is toegestaan. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat de door appellant gewenste struikbeplanting in het plan mogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Wat betreft de stelling van appellant dat verweerder verplicht zou moeten worden om beplanting langs de Bussereindseweg te plaatsen, overweegt de Afdeling dat een dergelijke verplichting niet in een bestemmingsplan kan worden geregeld. Dit bezwaar van appellant heeft in feite geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Dit bezwaar dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

2.8. Wat betreft de door appellant gewenste verkeersvoorzieningen overweegt de Afdeling dat uit de stukken is gebleken dat de N271 in de bestaande situatie een aanzienlijke verkeersintensiteit heeft. Het plan is onder meer opgesteld om deze intensiteit te verminderen. Aangenomen moet worden dat het op- en afrijden van de N271 bij de woning van appellant kan leiden tot verkeersonveilige situaties op de weg. Uit de stukken en het onderzoek ter zitting is echter komen vast te staan dat dergelijke situaties kunnen worden voorkomen door gebruik te maken van de rotondes nabij de woning van appellant. Ter zitting is door de gemeenteraad verklaard dat, mochten desondanks verkeersonveilige situaties blijven bestaan, aanvullende verkeersmaatregelen, zoals een beperking van de maximumsnelheid, kunnen worden genomen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan ook in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.9. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.10. Het beroep van appellant is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Nollen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nollen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2003

332.