Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
200204190/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204190/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2002, kenmerk KG 02.18, heeft verweerder aan appellante sub 2 nadere eisen gesteld krachtens artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) ten aanzien van een inrichting voor de verkoop van lederwaren, ruitersportartikelen en paardenvoer, alsmede voor het verrichten van reparaties en het wassen van paardendekens, gelegen op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 8 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 1 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2002, en appellante sub 2 bij brief van 16 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2003, waar appellant sub 1, bijgestaan door mr. E.H.M.T. Versteegen, gemachtigde, appellante sub 2, bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.M.T.M. Sprengers, ambtenaar van de gemeente,

zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure.

2.2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit voor de inrichting van appellante sub 2 een nadere eis gesteld met betrekking tot het afspuiten van paardendekens met behulp van een hogedrukreiniger.

2.3. Appellant sub 1 betoogt dat het Besluit niet van toepassing is op de onderhavige inrichting omdat in de inrichting stookinstallaties worden gebruikt voor het stoken of verbranden van hout welke niet alleen zijn bedoeld voor bij- of sfeerverwarming.

2.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van Besluit, voor zover relevant, is dit besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

a. het verkopen of verhuren aan particulieren van roerende zaken, met uitzondering van binnenlandse en buitenlandse wettige betaalmiddelen;

b. het verrichten van ambachtelijke of dienstverlenende activiteiten voorzover deze, gelet op hun aard, geschieden in rechtstreeks verband met activiteiten als bedoeld onder a.

Ingevolge artikel 3, eerste lid aanhef en onder b, van het Besluit, is dit besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien in de inrichting een of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie, tenzij sprake is van een open haard voor het verbranden van hout, die alleen is bedoeld voor bij- of sfeerverwarming.

2.3.2. De Afdeling stelt aan de hand van het deskundigenbericht het volgende vast. Binnen de inrichting is een installatie aanwezig voor het verstoken van hout. Deze installatie is niet aan te merken als een open haard en moet derhalve worden aangemerkt als een installatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van het Besluit. Gelet hierop is het Besluit niet op de onderhavige inrichting van toepassing. De stelling van verweerder dat de kachel slechts dient ter bijverwarming doet hier niet aan af.

Gezien het vorenstaande was verweerder niet bevoegd om krachtens artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 5, eerste lid, van het Besluit nadere eisen te stellen met betrekking tot de onderhavige inrichting.

2.4. De beroepen van appellant sub 1 en appellante sub 2 zijn gegrond. De Afdeling laat de overige beroepsgronden buiten bespreking. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellant sub 1 te worden veroordeeld. Van proceskosten van appellante sub 2 die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellant sub 1 en appellante sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek van 1 juli 2002, KG 02.18;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 690,57, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de gemeente Laarbeek te worden betaald aan appellant sub 1;

IV. gelast dat de gemeente Laarbeek aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellant sub 1 en € 109,00 voor appellante sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2003

312-396.