Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
200106294/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106294/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 5 november 2001 in het geding tussen:

appellante,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 november 1999 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) legalisatie geweigerd van een door appellante overgelegd uittreksel uit het geboorteregister (hierna: de geboorteakte) en een ongehuwdverklaring.

Bij besluit van 2 april 2001 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 november 2001, verzonden op 8 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 februari 2002 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij, aangevuld bij brief van 15 oktober 2002, heeft hij op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om ten aanzien van een aantal stukken, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade in Ghana verrichte verificatieonderzoek, toe te staan dat appellante daarvan geen, althans gedeeltelijk geen, kennis kan nemen. Op 19 november 2002 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming deels gerechtvaardigd is. Bij brief van 3 december 2002 heeft appellante toestemming, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb, verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2003, waar [appellante], bijgestaan door mr. P. Scholtes, advocaat te ‘s-Gravenhage, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.B. Schluter, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Legalisatie van het geboortebewijs is geweigerd, omdat met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit Ghana volgens het terzake gevoerde beleid wordt uitgegaan van twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten en die twijfel niet door middel van objectieve bronnen is weggenomen.

2.2. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat in een register van een door appellante bezochte school het juiste geboortejaar is gevonden niet de in beginsel aanwezige twijfel omtrent de juistheid van de in de geboorteakte vermelde geboortedatum wegneemt, faalt. De rechtbank heeft zulks terecht en op goede gronden overwogen.

2.3. Appellante betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het beleid dat de minister met betrekking tot legalisatie en verificatie van documenten uit onder meer Ghana voert in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat geboorteaktes afkomstig uit andere landen dan de zogenoemde probleemlanden ook dan gelegaliseerd kunnen worden indien hierin slechts het geboortejaar is opgenomen.

2.4. Dit betoog faalt evenzeer. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 11 mei 2000 in zaak nr. 199900131/1, gepubliceerd in JB 2000/165 en JV 2000/116) heeft overwogen, rechtvaardigen negatieve ervaringen met betrekking tot documenten uit onder meer Ghana een benadering die uitgaat van twijfel aan de juistheid van ter legalisatie overgelegde documenten. Gelet hierop, is geen sprake van gelijke gevallen.

Voorzover appellante een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te wijzen op twee gevallen waarin de minister geboorteaktes heeft gelegaliseerd terwijl in objectieve bronnen uitsluitend bevestiging was gevonden van het daarin vermelde geboortejaar, faalt dit evenzeer. De Afdeling is van oordeel dat de constatering dat de minister enkele malen in een betrekkelijk korte periode in strijd met het terzake geldende beleid tot legalisatie heeft besloten, niet met zich brengt dat ten aanzien van appellante alsnog eveneens een onjuist besluit van gelijke strekking moet worden genomen. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat de minister in voormelde met het beleid strijdige handelwijze zou moeten volharden.

2.5. Het betoog van appellante dat ertoe strekt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de afstamming onvoldoende door middel van objectieve bronnen is bevestigd, faalt.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat, wat er ook zij van de in het schoolregister aangetroffen andere naam van de vader van appellante, de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van personen uit de omgeving van appellante, die de afstamming bevestigen, in de omstandigheden van het geval onvoldoende zijn om de in beginsel aanwezige twijfel aan de juistheid van de in de geboorteakte vermelde afstammingsgegevens weg te nemen.

2.6. Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er een contra-indicatie tegen legalisatie van het geboortebewijs is, nu haar naam evenals verklaringen van personen uit de omgeving van appellante erop wijzen dat zij op een zondag geboren is, terwijl zij blijkens de op de geboorteakte vermelde datum op een zaterdag is geboren. Dit betoog laat, wat hier overigens ook van zij, onverlet dat appellante de juistheid van de inhoud van het geboortebewijs niet door middel van objectieve bronnen heeft aangetoond.

2.7. Legalisatie van de ongehuwdverklaring is geweigerd, omdat documenten betreffende de burgerlijke staat van personen niet worden gelegaliseerd, wanneer de persoons- en afstammingsgegevens van de desbetreffende personen niet zijn vastgesteld aan de hand van een geverifieerd geboortebewijs.

2.7.1. Eerder (uitspraak van 24 april 2001 in zaak no. 20000554/01, vermeld in ABkort 2001, 331) heeft de Afdeling het aldus toegepaste uitgangspunt niet rechtens onjuist geacht. Er is geen grond daarover thans anders te oordelen. Gelet hierop, heeft de rechtbank het beroep tegen de weigering om de ongehuwdverklaring te legaliseren evenzeer terecht ongegrond geacht.

In hetgeen appellante verder heeft aangevoerd, kan evenmin grond worden gevonden voor een ander oordeel, dan waartoe de rechtbank is gekomen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de minister niet aan het door hem gevoerde beleid heeft mogen vasthouden en de weigering om de ongehuwdverklaring te legaliseren niet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen heeft mogen handhaven.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling komt reeds daarom niet toe aan hetgeen overigens is verzocht. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2003

273-360.