Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
07-05-2003
Zaaknummer
200300333/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300333/1.

Datum uitspraak: 7 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 4 december 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) een aanvraag van appellante om toekenning van huursubsidie voor het tijdvak van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 februari 2003 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van antwoord gediend.

Bij brief van 3 maart 2003 heeft appellante hierop gereageerd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Partijen hebben toestemming verleend om op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder m, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw), voorzover thans van belang, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekeninkomen verstaan: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hsw wordt geen huursubsidie toegekend als het rekeninkomen meer bedraagt dan: € 15.042,81 bij een eenpersoonsouderenhuishouden.

2.2. In de Memorie van Toelichting bij de Hsw is in de toelichting op artikel 3 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 090, nr. 3, p. 29) het volgende te lezen: "of aanspraak op huursubsidie bestaat is afhankelijk van de draagkracht van de huurder. Inkomsten van de medebewoners worden mede bepalend geacht voor deze draagkracht. Het rekeninkomen is de optelsom van de persoonlijke inkomens van huurder en medebewoners. Als het gezamenlijke inkomen van huurder en medebewoners de maxima die in artikel 14 zijn neergelegd te boven gaat, bestaat geen recht op huursubsidie. In de normering wordt uitgegaan van het belastbare inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting (...)."

2.3. Appellante voert aan dat haar belastbaar inkomen over 2000, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, niet is aan te merken als rekeninkomen in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Hsw, aangezien zij alléén woont. Het rekeninkomen als bedoeld in dit artikel is immers een optelsom van enkele inkomens. Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hsw is volgens haar mitsdien niet van toepassing op haar aanvraag.

2.4. Vast staat dat appellantes belastbare inkomen over 2000 ƒ 43.451,00 (€ 19.717,20) bedroeg. Voorts is niet in geschil dat appellante een eenpersoonsouderenhuishouden voert als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van de Hsw.

2.5. Het oordeel van de rechtbank is juist. Aangezien appellante een eenpersoonsouderenhuishouden voert, komt voor de vaststelling van het rekeninkomen, als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c, van de Hsw, naar het oordeel van de Afdeling alleen het persoonlijke inkomen van appellante in aanmerking. Van een optelsom van inkomens van meerdere bewoners kan in dit geval geen sprake zijn. Gelet op hetgeen in de voormelde toelichting op dit artikel staat, moet appellantes belastbare inkomen over 2000 als het hiervoor bedoelde persoonlijke inkomen worden aangemerkt, zodat onder het in voormeld artikel bedoelde rekeninkomen dat belastbare inkomen dient te worden verstaan. Dit oordeel is niet in strijd met dat vervat in eerdere uitspraken van de Afdeling aangaande appellantes aanvragen om huursubsidie over voorgaande tijdvakken.

Nu het rekeninkomen het in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hsw neergelegde maximum van € 15.042,81 (ƒ 33.150,00) te boven gaat, heeft de Staatssecretaris terecht de aanvraag van appellante om toekenning van huursubsidie voor het tijdvak van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 afgewezen.

2.6. Voorts zijn de door appellante aangevoerde omstandigheden, gelijk de rechtbank terecht heeft overwogen, niet van dien aard, dat de Staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor toepassing van artikel 26 van de Hsw geen aanleiding bestond.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2003

164-424.