Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
200203013/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203013/1.

Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2002, kenmerk 2002-065075/16, RMM, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van een transportbedrijf op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 26 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 31 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2003, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door H.J. Bakker, E.P. Pol en F. Scholtens, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het uitbreiden van de vergunde activiteiten. De vergunde uitbreiding ziet op de opslag van organische materialen, plastic/papier (rejects), Refused Derived Fuel (hierna: RDF) en het uitvoeren van twee transportbewegingen op zondag.

Bij besluit van 25 mei 1994 is voor onderhavige inrichting een oprichtingsvergunning verleend voor een houtshredderbedrijf en de opslag van grondstoffen en materialen.

2.2. Appellant betoogt dat verweerder zijn verzoek om intrekking van de onderliggende vergunning niet heeft gehonoreerd maar ten onrechte heeft aangemerkt als een bedenking gericht tegen het ontwerp van het bestreden besluit.

Bij brief van 19 december 2001 heeft appellant verzocht om intrekking van de onderliggende vergunning. Uit het beroepschrift blijkt dat verweerder dit verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een bedenking tegen het ontwerp van het bestreden besluit. In zoverre treft het betoog van appellant doel. Dit betoog heeft evenwel betrekking op de overwegingen van het bestreden besluit, die geen zelfstandig rechtsgevolg hebben. De Afdeling ziet hierin dan ook geen reden het bestreden besluit te vernietigen.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant vreest voor stankhinder vanwege rotting en vergisting van het organisch materiaal dat in de inrichting zal worden opgeslagen. Hij stelt dat uit de aanvraag niet blijkt wat voor organisch materiaal in de inrichting wordt opgeslagen. Verder vreest hij voor verspreiding van dit materiaal omdat in voorschrift 2.1.1 organisch materiaal niet wordt vermeld.

2.4.1. Verweerder verwijst in het verweerschrift naar een aanvulling op de aanvraag waaruit blijkt dat dit materiaal afkomstig is uit de agrarische sector waarmee hoofdzakelijk veevoeder als handelswaar wordt bedoeld. Volgens verweerder zal er daarom sprake zijn van een korte doorlooptijd omdat de organische materialen niet in kwaliteit achteruit mogen gaan vanwege de bestemming als veevoeder.

Voorts meent verweerder dat het niet aannemelijk is dat organisch materiaal zich buiten de inrichting zal kunnen verspreiden.

2.4.2. In voorschrift 2.1.4 is voorgeschreven dat het organisch materiaal ter voorkoming van geurhinder moet worden afgedekt met folie of dekzeilen.

2.4.3. Gelet op de korte doorlooptijd van het materiaal en de in voorschrift 2.1.4 voorgeschreven maatregel, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat stankhinder voldoende kan worden beperkt.

Ter zitting is gebleken dat het organisch materiaal dat in de inrichting wordt opgeslagen een hoog vochtpercentage kent. Gelet hierop en het feit dat het materiaal moet worden afgedekt, acht de Afdeling het aannemelijk dat geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat het organisch materiaal zich buiten de inrichting zal verspreiden. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellant vreest voor bodemverontreiniging door vermenging van regenwater met opgeslagen materialen nu er geen deugdelijke afvoer aanwezig is op het terrein.

2.5.1. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat de in de aanvraag vermelde afvalstoffen niet emitteren naar de bodem vanwege de omschreven en de voorgeschreven wijze van op- en overslag. Hij acht de vrees voor bodemverontreiniging daarom ongegrond. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat de in de inrichting aanwezige RDF-fracties zodanig verpakt zijn dat deze niet in aanraking kunnen komen met regenwater. Zelfs indien de verpakking in incidentele gevallen niet deugdelijk zou zijn dan nog zou bij vermenging met regenwater geen bodemverontreiniging ontstaan, aldus verweerder. Verder heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat het organisch materiaal op grond van voorschrift 2.1.4 moet worden afgedekt zodat dit materiaal niet in contact kan komen met regenwater. Niet gebleken is dat het door verweerder gestelde onjuist is.

De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bodemverontreiniging kan worden voorkomen dan wel voldoende kan worden beperkt.

2.6. Verder voert appellant aan dat er gevaar is voor brand in de inrichting. In dit verband voert hij nog aan dat de in de voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.4 voorgeschreven opslaghoogte en maximale oppervlakte niet in overeenstemming zijn met de bij de aanvraag gevoegde tekening van de inrichting.

2.6.1. Verweerder stelt dat de brandpreventieve maatregelen overeenkomstig het advies van de plaatselijke brandweer integraal in de vergunning zijn opgenomen en dat deze voldoende waarborg bieden tegen het overslaan van brand naar naburige percelen.

2.6.2. In voorschrift 3.1.1 is bepaald dat de maximale oppervlakte per stapel van opslag van brandbaar materiaal niet meer mag bedragen dan 500 m2.

In voorschrift 3.1.2 is bepaald dat de maximale stapelhoogte van brandbaar materiaal ten hoogste 2 meter mag bedragen.

In voorschrift 3.1.3 is bepaald dat de afstand tussen de verschillende objecten ten minste 16 meter moet bedragen.

In voorschrift 3.1.4 is bepaald dat de afstand van de stapels, tot de voet van de om het terrein liggende geluidswal, minimaal 4 meter moet bedragen.

2.6.3. De Afdeling stelt vast dat verweerder het advies van de brandweer tot uitgangspunt heeft genomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorschriften onvoldoende zouden zijn; dat is de Afdeling ook anderszins niet gebleken. Het beroep is op dit punt ongegrond.

2.7. Appellant kan zich niet verenigen met het feit dat de inrichting op zondag in werking is. Volgens appellant zijn de transportbewegingen op zondag overbodig en kunnen deze op een andere wijze georganiseerd worden. Hij doelt daarmee op een systeem waarbij afnemers rechtstreeks of op kortere afstand de afvalstoffen bij de leveranciers afnemen.

2.7.1. In voorschrift 1.1.2 is bepaald dat wanneer de inrichting op zondag in bedrijf is, de werkzaamheden uitsluitend mogen worden uitgevoerd tussen 15.00 en 19.00 uur.

2.7.2. Ter voorkoming van overlast voor de omgeving heeft verweerder voorschrift 1.1.2 aan de vergunning verbonden. Ter zitting is gebleken dat op zondag gemiddeld één transport plaatsvindt waarna de container binnen de inrichting wordt leeggegooid. Mede gelet op de beperkte duur van de bedrijvigheid, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning op dit punt toereikend is.

Verder is verweerder gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag vermelde transportbewegingen vergunning kan worden verleend. Of een ander transportsysteem meer geschikt is speelt hierbij geen rol. Deze beroepsgrond is ongegrond.

2.8. Voorzover appellant stelt dat de voorschriften uit onderhavige vergunning en de geluidvoorschriften uit de onderliggende vergunning niet worden nageleefd, kan dit in onderhavige procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan deze vergunningen zijn verbonden.

2.9. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Trippert-van Gemeren

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

289.