Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
200202618/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202618/1.

Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2001 heeft de gemeenteraad van Maastricht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 augustus 2001, het bestemmingsplan "Markt-Maas" gewijzigd vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 april 2002, kenmerk 2002/14110, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2002, en appellant sub 2 bij brief van 6 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 3 juli 2002.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Bij brief van 16 januari 2003 heeft verweerder te kennen gegeven dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar appellanten in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. G.L. Kluter, ambtenaar van de provincie Limburg, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Maastricht, vertegenwoordigd door

mr. E.H.J. Verheijen en H. Winkens, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied omvat globaal gezien het gebied tussen de Hoenderstraat, Markt en Kleine Gracht en het gebied tussen de Sint-Servaasbrug, de Lakenweverstraat en de Maas.

Het plan voorziet in een ondertunneling en herinrichting van de Maasboulevard (project Maasoevers), alsmede in de herinrichting van het gebied tussen de Hoenderstraat, Markt en Kleine Gracht, inclusief de bouw van een nieuw stadskantoor (project Markt-Maas).

Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Ir. [appellant sub 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld.

[appellant sub 2] betoogt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het aan verweerder uitgebrachte advies van de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen (hierna: PCGP).

2.3.1. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

De Afdeling overweegt dat tot het toezenden van het advies van de PCGP aan appellanten op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen verplichting bestaat. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het beginsel van zorgvuldigheid dat is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb heeft geschonden door het advies niet ter becommentariëring aan appellanten voor te leggen.

Het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond.

2.4. [appellant sub 2] stelt dat de gemeenteraad ten onrechte de ambtshalve wijziging van artikel 1, twaalfde lid, van de planvoorschriften niet heeft opgenomen in het vaststellingsbesluit. Hij vreest dat de wijziging zal leiden tot een grotere bouwhoogte.

2.4.1. De gemeenteraad heeft in het vastgestelde plan artikel 1, twaalfde lid, ambtshalve gewijzigd door de maximale hoogte van een bouwlaag voor andere gebouwen dan woningen vast te stellen op 4 meter. In het ontwerpplan was deze hoogte bepaald op 5 meter. De gemeenteraad heeft deze wijziging niet opgenomen in de lijst van wijzigingen in het vaststellingsbesluit.

2.4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat door de omissie van de gemeenteraad geen belangen zijn geschaad.

2.4.3. Gebleken is dat de gemeenteraad de ambtshalve wijziging van artikel 1, twaalfde lid, van de planvoorschriften, abusievelijk niet in de lijst van wijzigingen in het vaststellingsbesluit heeft opgenomen. De desbetreffende wijziging heeft niet tot gevolg dat de maximale bouwhoogte van andere gebouwen dan woningen toeneemt, aangezien het maximale aantal bouwlagen in artikel 4, lid A, onder 5, van de voorschriften, ongewijzigd is gebleven. De wijziging leidt juist tot een verlaging van de maximale bouwhoogte. Verweerder heeft in deze omissie daarom terecht geen aanleiding gezien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.5. Appellanten hebben aangevoerd dat niet vaststaat dat het plan economisch uitvoerbaar is, nu een exploitatietekort wordt verwacht.

2.5.1. In paragraaf 6.2. van de toelichting bij het bestemmingsplan wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid. Volgens de berekeningen leidt de exploitatie van het plan, bij niet verkrijgen van gevraagde subsidies, tot een negatief resultaat van 65 miljoen gulden (29,5 miljoen euro). Ter zitting is gebleken dat het thans nog resterende tekort van 17 miljoen euro zal worden aangezuiverd uit gemeentelijke budgetten, waaronder het budget voor infrastructurele werken. Gelet hierop heeft verweerder de economische uitvoerbaarheid van het plan in redelijkheid voldoende gewaarborgd kunnen achten.

2.6. [appellant sub 2] voert aan dat de planregeling ten onrechte een globaal karakter heeft. Voorts stelt hij dat in artikel 1 van de planvoorschriften ten onrechte geen definitie is opgenomen van de doeleinden "wonen" en "verkeers- en verblijfsdoeleinden".

2.7. De Afdeling stelt vast dat het plan een zogenoemd globaal eindplan is. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de gemeenteraad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen.

Het systeem van de Wet op de Ruimtelijke Ordening brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt.

Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de bestaande feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

Blijkens het bestreden besluit acht verweerder deze planvorm in dit geval aanvaardbaar. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Zij neemt hierbij in aanmerking dat het plan onder meer voorziet in de herinrichting van een gedeelte van het centrum van Maastricht, zodat er mogelijkheden moeten zijn om toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in te kunnen passen. Op de bestemmingkaart is duidelijk aangegeven welke bestemmingen aan de gronden zijn toegekend en in de planvoorschriften is het gebruik van deze gronden nader omschreven en limitatief bepaald. Verder is in de planvoorschriften per toegekende (hoofd)bestemming een beschrijving in hoofdlijnen en voor alle bestemmingen gezamenlijk een beheersregeling opgenomen. Hierin zijn onder meer bebouwingsvoorschriften opgenomen en ruimtelijke randvoorwaarden met betrekking tot massa en rooilijnen. Voorts bevat het plan een kaart functionele en ruimtelijke karakteristiek. Op deze kaart zijn de met het plan beoogde doeleinden in beeld gebracht.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onvoldoende inzicht geeft in de toekomstige ontwikkeling van het gebied. De Afdeling is voorts niet gebleken dat het ontbreken van een definitie van "wonen" en "verkeers- en verblijfsdoeleinden", gelet op de eenduidigheid van deze begrippen, tot onduidelijkheden leidt.

2.8. [appellant sub 1] voert aan dat het plan niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, het structuurplan Maastricht 2005, het Raamplan Mobiliteitsbeheersing en de Verkenningenstudie Maaskruisend Verkeer. Hij stelt verder dat het plan in samenhang met grote stedelijke projecten op het gebied van verkeersafwikkeling een integrale visie ontbeert. Zo is volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met de bestaande plannen voor een lightrailverbinding naar het stadshart en een zogenoemde "cross-over" tussen de bestaande wijk Randwyck en de toekomstige wijk Belvédère. Hij voert aan dat het plan zal leiden tot een toenemende verkeerscongestie in het stadshart van Maastricht en dat de voorziene ondergrondse parkeergarage de doorstroming van het openbaar vervoer zal belemmeren.

[appellant sub 2] stelt dat de openbaar vervoersverbinding in het plan niet goed is geregeld. Hij voert aan dat de Gubbelstraat te smal is om bussen in twee rijrichtingen te laten rijden. [appellant sub 2] voert verder aan dat een langere tunnel onder de Maasboulevard noodzakelijk is. Hij stelt dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met parkeermogelijkheden voor touringcars. Daarnaast acht hij de voorziene capaciteit van de ondergrondse parkeergarage te laag.

2.8.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de planvorming rondom het Markt-Maasproject een afgewogen kader biedt waarbinnen het betrokken gedeelte van de binnenstad verantwoord kan worden ontwikkeld. Daarbij is onder meer een goede bereikbaarheid van de binnenstad vanuit de principes van het mobiliteitsbeleid, inpassing van de infrastructuur en de overzichtelijkheid van de openbaar vervoersvoorziening aan de orde geweest.

2.8.2. Verweerder heeft overwogen dat de infrastructurele maatregelen in het plan een onderdeel vormen van de maatregelen die nodig zijn om de stadsregio van Maastricht beter bereikbaar te maken en dat deze maatregelen in overeenstemming zijn met het voorgestane beleid uit een oogpunt van verkeer en vervoer.

2.8.3. Blijkens de plantoelichting is het plan gebaseerd op verscheidene gemeentelijke beleidsstukken zoals het Raamplan Mobiliteitsbeheersing uit 1992, het Structuurplan Maastricht 2005, vastgesteld in 1999, en het Masterplan Markt-Maas uit 1999. Wat betreft verkeer en vervoer geldt als hoofddoelstelling het afremmen van de groei van het autoverkeer ter vergroting van de leefbaarheid en bereikbaarheid van de stad. Daartoe wordt onder meer gestreefd naar een autoluwe binnenstad, een stringent parkeerbeleid en een verbetering van de voorzieningen voor fietsers, voetgangers en openbaar vervoer. Verscheidene actiepunten zijn geformuleerd, waaronder de aanleg van hoogwaardige openbaar vervoerlijnen, een fietsnetwerk en het autovrij maken van de Markt in combinatie met het elders aanleggen van parkeergarages. De uitkomsten van de Verkenningenstudie Maaskruisend Verkeer uit 1999 zijn hierbij betrokken. Het bestemmingsplan beoogt blijkens de plantoelichting verscheidene beleidsdoelen in samenhang te bereiken. In de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 4 en 5 van de planvoorschriften is, met inachtneming van de aanwijzingen op de kaart functionele en ruimtelijke karakteristiek, bepaald welke doelen in het plangebied worden nagestreefd. Op genoemde kaart zijn daartoe de beoogde hoofdontsluiting en secundaire ontsluiting van het centrumgebied ten behoeve van de verkeersafwikkeling aangegeven. De hoofdontsluiting dient gedeeltelijk ondergronds plaats te vinden via een tunnel onder de Maasboulevard tussen de Sint Servaasbrug en de Kleine Gracht. Verder zijn langzaam verkeersverbindingen vanuit het centrumgebied en een voetgangersgebied aangeduid en is de aanduiding "openbaar vervoersas" op de gronden van de Wilhelminabrug, een deel van de gronden van de Maasboulevard, en op de gronden van de Gubbelstraat gelegd. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling, mede gezien het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak uitgebrachte deskundigenbericht, geen aanleiding om te oordelen dat het plan, bezien vanuit een oogpunt van verkeersafwikkeling, niet in overeenstemming is met de geformuleerde beleidsdoelstellingen. Voorts is niet aannemelijk geworden dat het plan zal leiden tot een toenemende congestie. Voorzover [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening overweegt de Afdeling - daargelaten wat er zij van dit standpunt - dat deze ten tijde van het besluit tot goedkeuring van het plan nog slechts in ontwerp was gepubliceerd.

2.8.4. Voorzover [appellant sub 2] stelt dat een complete ondertunneling van de Maasboulevard de verblijfskwaliteit van de westelijke Maasoever meer zou versterken dan de voorziene kortere tunnel overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.8.5. Voorzover [appellant sub 1] heeft betoogd dat het plan ten onrechte geen rekening houdt met een mogelijke lightrailverbinding naar het stadshart en een "cross-over" tussen de wijken Randwyck en Belvédère, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad over de aanleg van een lightrailverbinding naar de Markt nog geen beslissing heeft genomen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat een regeling van de lightrailverbinding in dit plan niet noodzakelijk is. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de toekomstige verwezenlijking van een verbinding tussen de bestaande wijk Randwyck en de toekomstige wijk Belvédère door het plan wordt verhinderd.

2.8.6. Ten aanzien van de Gubbelstraat is ter zitting komen vast te staan dat deze straat ongeveer 12 meter breed is. Niet aannemelijk is dat de rijbaan onvoldoende ruimte biedt voor een goede afwikkeling van het verkeer. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat volgens artikel 4, lid A, onder 3, van de planvoorschriften het autoverkeer uit de Gubbelstraat zal worden geweerd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de aanduiding "openbaar vervoersas" op de kaart ruimtelijke en functionele karakteristiek niet tevens de rijrichting van het openbaar vervoer aanduidt.

2.8.7. De aanduiding "ondergrondse parkeergarage" is toegekend aan het deel van de gronden van het centrumgebied dat tevens de aanduiding "plein-/ruimtevorming" heeft gekregen. Blijkens de beschrijving in hoofdlijnen dienen in deze garage ongeveer 1.150 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Dit aantal is gelijk aan het aantal parkeerplaatsen dat zal worden opgeheven ten gevolge van het plan. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder er niet van mocht uitgaan dat de beoogde parkeergarage voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat voor touringcars is voorzien in ongeveer 50 parkeerplaatsen op plaatsen buiten het plangebied.

Verder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ondergrondse parkeergarage de doorstroming van het openbaar vervoer zal belemmeren.

2.9. [appellant sub 2] stelt dat de noodzaak van een herhuisvesting van de gemeentelijke diensten bij de Markt niet is aangetoond en dat deze diensten beter buiten het centrum zouden kunnen worden gevestigd. Voorts voert hij aan dat het voorziene bedrijfsvloeroppervlak van 17.000 m2 ten behoeve van deze diensten te klein is.

2.9.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat herhuisvesting van de gemeentelijke diensten aan de Markt weliswaar niet noodzakelijk, doch wel gewenst is. De gemeenteraad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de omvang van het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van de gemeentelijke diensten voldoende is.

2.9.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.9.3. Zoals hierboven reeds is overwogen kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat tegen herhuisvesting van de gemeentelijke diensten in het plangebied geen overwegende bezwaren bestaan. Verweerder heeft hierbij in redelijkheid, met de gemeenteraad, betekenis kunnen toekennen aan de centrale ligging van de gemeentelijke diensten nabij het oude stadhuis en de Markt, een knooppunt van openbaar vervoer in de stad, als gevolg waarvan een optimale ontsluiting is gewaarborgd en aan de omstandigheid dat het aanbod van gemeentelijke dienstverlening een logische aanvulling vormt op de dienstverlenende en publieksverzorgende functie van de binnenstad.

Wat betreft het bedrijfsvloeroppervlak volgt uit de plantoelichting dat de geraamde behoefte ten behoeve van gemeentelijke huisvesting (met uitzondering van de raadzaal) ongeveer 15.200 m2 bedraagt. In artikel 4, lid B, onder 4, van de planvoorschriften is ten behoeve van de gemeentelijke huisvesting evenwel een oppervlak van 17.000 m2 als uitgangspunt genomen. Gelet hierop heeft verweerder er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat de beoogde omvang van het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van de hervestiging van de gemeentelijke diensten voldoende is.

2.10. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de gekozen ontwikkeling en architectuur. Hij stelt verder dat de opening van 20 meter breed in de voorziene bebouwing aan de Maaszijde niet in overeenstemming is met artikel 4, lid A, onder 1, van de planvoorschriften. Voorts acht hij de voorgenomen sloop van het hoekpand Gubbelstraat-Van Hasseltkade in strijd met het streven naar behoud van de historische structuur van monumentale panden, zoals beschreven in artikel 4, lid A, onder 6 van de voorschriften.

[appellant sub 1] heeft bezwaar tegen een afsluiting van de Marktwand. Daarnaast voert hij aan dat het plan ten koste gaat van waardevol industrieel erfgoed, zoals de stadskantoren en de Wilhelminabrug.

2.10.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld te kiezen voor een wijze van bouwen waarmee de jongste tijd in het stadsbeeld wordt vertegenwoordigd, waarbij moet worden zorggedragen voor een goede stedenbouwkundige inpassing in en afstemming op de in het plangebied aanwezige waardevolle elementen, structuren en ruimtelijke karakteristiek.

2.10.2. Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening.

2.10.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met de door de gemeenteraad gekozen wijze van bouwen. Hij heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de gemeenteraad bij haar keuze voor een concrete ontwikkeling en architectuur over beleidsvrijheid beschikt. Van overwegende bezwaren vanuit Monumentenzorg is voorts niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat het plan ten koste zal gaan van waardevol industrieel erfgoed.

Wat betreft de Marktwand is in artikel 4, lid A, onder 1, van de voorschriften bepaald dat deze moet worden afgebouwd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat hiermee wordt bedoeld dat de open ruimte voor het bestaande stadskantoor II aan de Marktzijde moet worden bebouwd, met behoud van een opening naar het voorziene binnenplein tussen de nieuwe stadskantoren. De gemeenteraad wil daarmee de beslotenheid van het Marktplein aan de oostelijke zijde versterken en de Markt terugbrengen naar haar historische omvang. Deze bepaling heeft derhalve geen betekenis voor de voorgenomen bebouwing aan de Maaszijde. Evenmin volgt uit deze bepaling dat de Marktwand geheel zal worden dichtgebouwd.

De Afdeling overweegt voorts dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het verbeteren van de stedenbouwkundige overgang tussen respectievelijk de bestaande bouw en de nieuwbouw en de lager gelegen Van Hasseltkade en het nieuwe Maasplein dan aan het belang dat is gediend bij het behoud van het hoekpand op de hoek van de Gubbelstraat en de Van Hasseltkade. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het desbetreffende pand geen monumentstatus heeft in de zin van de Monumentenwet 1988 en in het plan evenmin wordt aangemerkt als pand met monumentale waarde.

2.11. Het beroep van [appellant sub 2], gericht tegen de begrippen in artikel 1, tweede lid, en artikel 1, lid 31, van de planvoorschriften, strekt ertoe dat de definitie 'aan huis gebonden beroep' uitgebreid dient te worden met diverse beroepen ten behoeve van het vergroten van de leefbaarheid van de binnenstad. [appellant sub 2] stelt voorts dat het bestemmingsplan ten onrechte wonen uitsluit in het plangebied ten zuiden van de Gubbelstraat. Hij vreest dat dit ten koste zal gaan van de leefbaarheid in dit gebied.

2.11.1. De gemeenteraad heeft in het plan onderscheid gemaakt tussen enerzijds beroepen die, gelet op de aard, omvang en ruimtelijke uitstraling van de activiteiten, in een woning kunnen worden uitgeoefend en anderzijds beroepen die, op grond van dezelfde overwegingen, minder goed in een woning kunnen worden uitgeoefend.

2.11.2. Verweerder volgt het standpunt van de gemeenteraad ten aanzien van het onderscheid tussen aan huis gebonden en publiekverzorgende ambachtelijke beroepen.

2.11.3. In artikel 1, tweede lid, van de planvoorschriften is een aan huis gebonden beroep gedefinieerd als de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van publiekverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, detailhandel alsmede seks- en/of pornobedrijf. In artikel 1, lid 31, van de planvoorschriften is een publiekverzorgend ambachtelijk bedrijf gedefinieerd als een ambachtelijk bedrijf dat zijn goederen of diensten rechtstreeks levert aan de consument, zoals een kapper, schoenmaker of goudsmid, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gemeenteraad om redenen van een goede ruimtelijke ordening kan bepalen dat publiekverzorgende ambachtelijke bedrijvigheid en detailhandelsactiviteiten niet in een woning dienen te worden uitgeoefend. Hij heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant sub 2] genoemde voorbeelden, zoals lijstenmaker, boekbinder en vakslager, gelet op hun aard, omvang en ruimtelijke uitstraling als publiekverzorgend ambachtelijk bedrijf of detailhandelsactiviteit dienen te worden aangemerkt. De Afdeling merkt overigens op dat binnen de bestemming "Centrumgebied" overal publiekverzorgende ambachtelijke bedrijven kunnen worden gevestigd, ook daar waar wonen is toegestaan.

In het plan heeft de gemeenteraad ten aanzien van de gronden ten zuiden van de Gubbelstraat, behoudens in de bestaande bebouwing, de woonfunctie uitgesloten. De gemeenteraad heeft aanleiding gezien in dit geval af te wijken van zijn beleid om wonen in het stadscentrum te stimuleren, omdat het toestaan van woningen in dit gebied ten koste zou gaan van het bedrijfsoppervlak van de gemeentelijke diensten en tevens zou leiden tot een verlies aan commerciële opbrengsten. De Afdeling acht het standpunt van verweerder, dat de gemeenteraad hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom reden bestaat af te wijken van het gemeentelijke beleid, juist. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de uitsluiting van de woonfunctie in dit gedeelte van het plangebied tot een onevenredige aantasting van de leefbaarheid zal leiden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het plangebied in verhouding tot de gehele binnenstad van Maastricht klein is en dat ter zitting is gebleken dat het plan op dit punt een bevestiging is van de bestaande situatie.

2.12. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat het plan ten onrechte de aanleg van verlaagde oeverplaatsen en lage wandelsteigers mogelijk maakt in het stroomvoerend winterbed van de Maas.

2.12.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden langs de Maas ten noorden van de Wilhelminabrug en aan de aanlanding van de Wilhelminabrug op de westelijke Maasoever de medebestemming "Stroomvoerend winterbed" toegekend. De gemeenteraad heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verlaagde oeverplaatsen en lage wandelsteigers niet in strijd zijn met het beleid voor het stroomvoerend winterbed, voorzover deze geen belemmering opleveren voor de stroomvoerende functie van de Maas.

2.12.2. Verweerder heeft onder meer overwogen dat verlaagde oeverplaatsen en wandelsteigers vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, zodat de aanvaardbaarheid van deze werken te zijner tijd zal kunnen worden beoordeeld.

2.12.3. In artikel 5, lid A, onder 2, van de planvoorschriften is bepaald dat de directe toegankelijkheid van de rivier zal worden verbeterd door het aanleggen van contactpunten, zoals lage wandelsteigers en verlaagde oeverplaatsen. Ingevolge artikel 6, vijfde lid, onder B, van de planvoorschriften mag in het stroomvoerend winterbed uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van riviergebonden activiteiten of ter bescherming van solitaire bebouwing, mits de onderliggende bestemming dit toelaat en van het college van gedeputeerde staten voor afgifte van de bouwvergunning een verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 16 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is afgegeven. Alvorens deze verklaring af te geven dient het college van gedeputeerde staten advies in te winnen bij de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat. Daarbij wordt onder meer getoetst of de situering en uitvoering van het bouwwerk zodanig is dat de waterstandverhoging en de belemmering voor toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn. Ook is voor bouwwerken in het stroomvoerend winterbed een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken vereist. Verweerder heeft zich aldus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke aanleg van verlaagde oeverplaatsen en lage wandelsteigers in het stroomvoerend winterbed slechts onder voorwaarden is toegestaan en voorts met voldoende waarborgen is omgeven.

2.13. Gezien al het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

12-392.