Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
200203776/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203776/1.

Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging Omwonenden Lukasziekenhuis, gevestigd te Apeldoorn, en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2001 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn, op voorstel van burgemeester en wethouders van 10 september 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Gezondheidspark Apeldoorn".

Verweerders hebben bij hun besluit van 23 april 2002, nr. RE2001.92422, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 12 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2002.

Bij brief van 4 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2003, waar appellanten in persoon en vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door

A.J. te Boekhorst, ambtenaar van de provincie Gelderland, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Apeldoorn, vertegenwoordigd door

A.J.J. Zents, ambtenaar van de gemeente, en Gelre-ziekenhuizen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Zuster Meyboomlaan, in het zuiden door de terreingrens van het verpleegtehuis Randerode, in het westen door de Richtersweg en in het noorden door de Albert Schweitzerlaan. Het voorziet in een bundeling van zorginstellingen, waaronder de samenvoeging van het Julianaziekenhuis en het Lukasziekenhuis op de plek waar thans het Lukasziekenhuis is gevestigd.

Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten voeren aan dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan de bestemming "Verkeersdoeleinden" voor de gronden van en rond de kruising Albert Schweitzerlaan met de Laan van Westenenk omdat als gevolg daarvan de belangrijkste verkeersontsluiting niet in het plan geregeld wordt.

2.3.1. In het plan zijn gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden" gereserveerd voor de aanleg van een rotonde op de kruising van de Albert Schweitzerlaan en de Laan van Westenenk. Na de vaststelling van het plan is het inzicht van de gemeenteraad omtrent de wijze van verkeersafwikkeling op deze plek gewijzigd en is ervoor gekozen geen rotonde aan te leggen.

2.3.2. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht.

2.3.3. In het bestreden besluit heeft verweerder geconstateerd dat op de kruising van de Laan van Westenenk en de Albert Schweitzerlaan geen rotonde zal worden aangelegd. Ter zitting heeft de gemeenteraad dit bevestigd. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een planologische reservering ten behoeve van de rotonde strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan de planologische reservering van gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden" ter hoogte van de kruising van de Laan van Westenenk en de Albert Schweitzerlaan.

Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond.

2.4. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het besluit van verweerder, voorzover hij goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat zij menen dat het plan een onaanvaardbare toeneming van de verkeersintensiteit met zich zal brengen. Appellanten verwachten dat als gevolg hiervan verkeerscongestie zal optreden met als gevolg een slechtere ontsluiting van en naar de woonomgeving dan voordien en een verminderde verkeersveiligheid. Voorts vrezen zij parkeer- en geluidoverlast. Zij stellen dat niet wordt voldaan aan de bepalingen in de Wet geluidhinder.

2.4.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan aangegeven dat het verkeer ten gevolge van de beoogde samenvoeging van de ziekenhuizen op de plaats van het Lukasziekenhuis weliswaar zal toenemen, doch dat dit niet zal leiden tot een onaanvaardbare toeneming van de verkeersbelasting op de woonomgeving, gelet op de capaciteit van de omliggende wegen en gelet op de in het plan opgenomen inspanningsverplichting voor de zorginstellingen op het gezondheidspark en het gemeentebestuur om de automobiliteit van en naar het gezondheidspark binnen bepaalde tijd terug te dringen.

2.4.2. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat het plan voor de omwonenden voldoende waarborgen biedt dat geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare toeneming van de verkeersbelasting op de woonomgeving van appellanten. Gelet hierop heeft hij het plan in zoverre goedgekeurd.

2.4.3. Niet in geschil is dat de beoogde samenvoeging van het Julianaziekenhuis en het Lukasziekenhuis op wegen rond het huidige Lukasziekenhuis een aanzienlijke toeneming van het aantal verkeersbewegingen zal veroorzaken. De Albert Schweitzerlaan, de Laan van Westenenk en de Zuster Meyboomlaan hebben, zo blijkt uit het deskundigenbericht, de capaciteit om de voor 2010 geprognosticeerde aantallen motorvoertuigen per etmaal te verwerken. De prognose in het bestemmingsplan van de verkeersintensiteit in 2010 is gebaseerd op onderzoeken door Adviesbureau Peutz & Associes B.V. in maart en april 2000, waarbij in de berekeningen is uitgegaan van een hoofdontsluiting aan de Albert Schweitzerlaan zoals voorzien in het plan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Ook de, in het rapport "Verkeer en geluid gezondheidspark Apeldoorn, second opinion" van het door appellanten ingeschakelde adviesbureau Arcadis voorspelde aantallen in 2010 blijven binnen de capaciteit van genoemde wegen. De Afdeling neemt verder in aanmerking dat de Laan van Westenenk volgens de Verkeerskaart van de gemeente Apeldoorn is aangemerkt als congestievrije ontsluitingsweg. Het beleid van het college van burgemeester en wethouders is erop gericht om voor dit soort wegen maatregelen te nemen om de doorstroming te garanderen. De Afdeling neemt voorts eerdergenoemde inspanningsverplichting om de automobiliteit door middel van vervoersmanagement te beperken in aanmerking. Verweerder heeft zich aldus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor verkeerscongestie ten gevolge van het plan niet gevreesd behoeft te worden. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling voorts niet aannemelijk gemaakt dat de toeneming van de verkeersintensiteit zal leiden tot een verslechterde bereikbaarheid van de woningen van appellanten, noch tot een aantasting van de verkeersveiligheid.

2.4.4. Ten aanzien van de door appellanten gevreesde parkeeroverlast overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens artikel 2.2., derde lid, onder a, van de planvoorschriften voorziet het plan in eerste instantie in de aanleg van ongeveer 1.680 parkeerplaatsen op het gezondheidspark ten behoeve van werknemers en bezoekers. Gelet op artikel 2.2., derde lid, onder b, van de planvoorschriften wordt na vijf jaar bezien of dit kan worden teruggebracht tot 70% van voornoemd aantal. Wijziging van de parkeernormering blijft achterwege indien en voorzover de gezondheidsinstellingen, ondanks inspanningen daartoe, er niet of niet volledig in slagen het aantal benodigde parkeerplaatsen terug te brengen en als blijkt dat in de aangrenzende woonbuurt overlast ontstaat of dreigt te ontstaan als rechtstreeks gevolg van het terugdringen van het aantal parkeerplaatsen op het gezondheidspark waaraan niet genoegzaam door middel van het treffen van maatregelen tegemoet zal worden gekomen. Blijkens het deskundigenbericht is het niet waarschijnlijk te achten, gelet op het voorziene aantal parkeerplaatsen op het gezondheidspark alsmede gelet op voornoemde voorwaarden in de planvoorschriften ten aanzien van de reductie van het aantal parkeerplaatsen, dat de woonwijk nabij het plangebied parkeeroverlast zal ondervinden ten gevolge van het plan. Verweerder heeft zich aldus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestemmingsplan appellanten ten aanzien van het parkeren voldoende waarborgen biedt. Voorzover appellanten vrezen dat mogelijk een parkeervergunningstelsel en betaald parkeren zullen worden ingevoerd, overweegt de Afdeling dat het al dan niet invoeren van dergelijke maatregelen buiten het toetsingskader van deze procedure valt.

2.4.5. De Afdeling stelt vast dat door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel dat betrekking heeft op de planologische reservering van gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden" ter hoogte van de kruising van de Laan van Westenenk en de Albert Schweitzerlaan de vraag, of dit onderdeel van het plan wat betreft het aspect geluidhinder rechtmatig is, geen bespreking behoeft. Wat betreft de vrees van appellanten voor geluidhinder ten gevolge van de toeneming van het verkeer in algemene zin overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat als gevolg van de toeneming van het aantal verkeersbewegingen ook de geluidbelasting op de omgeving zal toenemen. Wat betreft de geluidbelasting ten gevolge van de toeneming van de verkeersintensiteit op de relevante wegen voor woningen nabij de hoofdontsluiting van het gezondheidspark wordt, zo blijkt uit het deskundigenbericht, de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde met maximaal 4 dB(A) overschreden. De geluidbelasting blijft echter ruim onder de maximumgrenswaarde van 65 dB(A)-etmaalwaarde en voorts is, gelet op de gevelopbouw van de desbetreffende woningen, een binnenniveau van 35 dB(A)-etmaalwaarde naar verwachting gewaarborgd. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met de Wet geluidhinder. De Afdeling ziet, gelet op het deskundigenbericht, in het door appellanten overgelegde rapport van Arcadis geen aanleiding daarover anders te oordelen.

2.4.6. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld. Zij stellen dat verweerder onder meer niet of nauwelijks is ingegaan op het door hen ingebrachte rapport van Arcadis.

De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. In het bijzonder is niet gebleken dat verweerder het door appellanten ingebrachte rapport van Arcadis niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

2.4.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit gedeelte van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit gedeelte van het plan.

Het beroep van appellanten is ook in zoverre ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. Vis, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Vis w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

218-392.