Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
200203046/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203046/2.

Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

"Sedijko B.V." en “G&S Vastgoed B.V.", gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2002, kenmerk U10/0010 MD 2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de "Dienst Waterbeheer en Riolering” (hierna: DWR) een vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting aan de Spaklerweg 18 te Amsterdam met een nieuwe centrale huisvesting voor kantoorwerkzaamheden en een laboratorium aan de Spaklerweg 16a te Amsterdam. Het besluit is ter inzage gelegd op 1 mei 2002.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 4 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. C.H. Blanksma, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.M. Karssen en ing. O. Zorg en V.P. Fournadjiev, ambtenaren van de gemeente zijn verschenen. Namens DWR is het woord gevoerd door mr. E.A. Minderhout, advocaat te Amsterdam en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben de beroepsgrond betreffende het ontbreken van rechtspersoonlijkheid van de aanvrager ter zitting ingetrokken.

2.2. Appellanten hebben zich primair op het standpunt gesteld dat er voorafgaande aan de beslissing op de vergunningaanvraag ten onrechte geen Mer-beoordelingsprocedure als bedoeld in de artikelen 7.8a tot en met 7.8d van de Wet milieubeheer is gevolgd, aangezien de inrichting deel uitmaakt van een stadsproject waarvoor onder 11.1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit Mer) de verplichting daartoe geldt. Aangezien die verplichting uit het Besluit uitsluitend geldt voor vaststelling van het ruimtelijke plan dat als eerste in de mogelijke uitvoering, wijziging of uitbreiding van zo’n project voorziet, zijn appellanten van mening dat het Besluit aldus een onjuiste en beperkte implementatie is van het in de Mer-richtlijn gebezigde begrip “vergunning”, waaronder volgens appellanten ook een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer dient te worden verstaan. Zij zijn daarom van mening dat de aanvraag ingevolge artikel 7:28, tweede lid, van de Wet milieubeheer buiten behandeling had moeten worden gelaten.

Verder stellen appellanten zich in dit verband op het standpunt dat verweerder, door dat stadsproject niet te betrekken bij de beslissing op de aanvraag om vergunning, ten onrechte geen, dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. Zij doelen hierbij met name op de woningbouwplannen die zijn vervat in de Structuurschets Korte Ouderkerkerdijk.

2.2.1. Niet in geschil is dat voor de betrokken inrichting als zodanig geen Mer-beoordelingsplicht geldt. Voorzover daarnaast voor de beoordeling van het onderhavige besluit al van belang zou zijn dat de inrichting is gelegen in het gebied waarin de Structuurschets Korte Ouderkerkerdijk voorziet in een stadsproject, is de Afdeling van oordeel dat reeds vanwege het indicatieve karakter van de daarin beschreven toekomstige ontwikkelingen, die schets onvoldoende concreet is om aan te nemen dat ten tijde van de beslissing op de aanvraag een Mer-beoordelingsplicht gold voor dat project. Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer was dan ook niet van toepassing op de aanvraag. Gelet daarop is de door appellanten opgeworpen vraag, of het Besluit of dit punt een juiste implementatie vormt van de Mer-richtlijn, niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Verder zijn die ontwikkelingen eveneens onvoldoende concreet om ze aan te merken als redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen in de zin van artikel 8.8, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer.

Hetgeen in dit verband is aangevoerd kan geen doel treffen.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat de door verweerder geboden mogelijkheid om stukken in te zien niet voldoet aan artikel 3:44, vierde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.1. De Afdeling is van oordeel dat, zo al sprake is van enige strijd met de hier bedoelde artikelleden, het onregelmatigheden betreft die dateren van na het nemen van het bestreden besluit en om die reden niet kunnen leiden tot vernietiging daarvan. Overigens is niet gebleken dat appellanten terzake die gestelde onregelmatigheden in hun belangen zijn geschaad.

2.4. Appellanten voeren aan dat voor de wijziging van de inrichting ten onrechte een veranderingsvergunning is verleend. Volgens hen had hetzij een revisievergunning moeten worden verleend voor het bestaande en het nieuw te realiseren deel van de inrichting samen, het zij een oprichtingsvergunning voor het nieuw te realiseren deel, aangezien het bestaande deel te zijner tijd geen deel meer zal uitmaken van de DWR.

2.4.1. De Afdeling stelt voorop dat dient te worden beslist op de aanvraag zoals die is ingediend, hetgeen in dit geval betekent dat aangenomen dient te worden dat zowel het bestaande deel aan de Spaklerweg 18 als het nieuwe deel dat is voorzien aan de Spaklerweg 16a deel uitmaken van de inrichting. Het voornemen van de aanvraagster om het bestaande deel te zijner tijd af te stoten is daarbij niet van belang.

Het nieuwe deel van de inrichting wordt in een afzonderlijk gebouw gehuisvest, zodat de milieugevolgen daarvan kunnen worden beoordeeld, los van de bestaande inrichting. Van een onoverzichtelijk vergunningenbestand is dan ook geen sprake. Mede gezien de beleidsvrijheid die een bevoegd gezag toekomt bij toepassing van artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van zijn bevoegdheid om een revisievergunning te verlangen.

2.5. Appellanten stellen zich op het standpunt dat in de vergunning ten onrechte geen geurnorm is voorgeschreven.

2.5.1. Volgens het deskundigenbericht zijn er twee geuremissiebronnen in de inrichting, te weten de keuken van de bedrijfskantine en de afzuiging van het laboratorium. Op die bronnen zijn de vergunningvoorschriften K.1 tot en met K. 4 van toepassing, waarin is geregeld hoe de emissie van die bronnen in de buitenlucht dient te worden uitgestoten. Gezien het deskundigenbericht kan worden aangenomen dat die middelvoorschriften toereikend zijn om geur van de inrichting ter plaatse van derden te voorkomen. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hier een norm ter voorkoming van geurhinder niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu.

2.6. Appellanten stellen dat de vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen hinder ten gevolge van aan- en afrijdend verkeer, mede omdat het terrein van de inrichting onvoldoende parkeergelegenheid biedt. Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat het feitelijke aantal parkeerplaatsen minder zal zijn dan is vereist op grond van de door verweerder gehanteerde parkeernorm (1 parkeerplaats per 125 m2 bruto vloeroppervlak). Zij hebben daartoe verder aangevoerd dat de uitstoot van het aan de inrichting toe te rekenen verkeer ten onrechte niet is getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit. Volgens hen klemt dit te meer omdat het een reeds zwaar belaste omgeving betreft.

2.6.1. Het aantal parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting bedraagt ongeveer 200. Bij de aanvraag is een vervoersplan gevoegd dat gericht is op het terugdringen van het autogebruik door de werknemers van de inrichting. De voorschriften A.10 tot en met A.12 zien op de nadere uitvoering van dat plan.

2.6.2. Volgens het deskundigenbericht is de bijdrage van de inrichting aan het aanwezige verkeer ter plaatse verwaarloosbaar en kan, gezien de ligging van de inrichting op een bedrijventerrein en op de te treffen maatregelen en voorzieningen worden verwacht dat geen sprake zal zijn van verkeer- en/of parkeeroverlast. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft de Afdeling geen reden te twijfelen aan deze bevindingen. De genoemde norm voor het aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein is van planologische aard en is in deze procedure niet bepalend. Gelet op de uitstoot van deze inrichting is de Afdeling verder van oordeel dat verweerder er in het verweerschrift terecht van is uitgegaan dat toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit niet tot weigering of aanscherping van de vergunning kon leiden.

2.7. Appellanten stellen zich op het standpunt dat vergunningvoorschrift D2 ten onrechte de mogelijkheid biedt om grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen voorhanden te hebben dan is aangevraagd.

2.7.1. Ingevolge vergunningvoorschrift D.1 mogen in de inrichting niet meer gevaarlijke stoffen aanwezig zijn dan is aangegeven in de aanvraag. Ingevolge voorschrift D.2 mogen gevaarlijke stoffen bij het werk in geen grotere hoeveelheid aanwezig zijn dan voor de goede gang van dat werk is vereist, zoals in de aanvraag is aangegeven. Indien de vergunninghouder daarvan wil afwijken moet dit eerst worden gemeld bij het bevoegd gezag, Het bevoegd gezag kan op basis van de informatie die is ingediend een beslissing nemen hieromtrent.

2.7.2. Gezien de rubricering van de afwijkingsmogelijkheid in de tweede volzin van voorschrift D.2, heeft die mogelijkheid uitsluitend betrekking op de activiteiten, bedoeld in de eerste volzin van dat voorschrift. Voorschrift D.2 biedt aldus geen mogelijkheid om meer of andere gevaarlijke stoffen op te slaan dan op grond van voorschrift D.1 is toegestaan.

2.8. Appellanten voeren aan dat voor het laboratorium deugdelijke voorschriften ontbreken betreffende externe veiligheid, ondanks het feit dat in het laboratorium ook stoffen voorhanden zijn waarvoor een vergunning ingevolge de Kernenergiewet nodig is.

2.8.1. Voor de betrokken activiteiten met stralingsbronnen is vergunning verleend ingevolge de Kernenergiewet. Uit artikel 22.1, derde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat die wet terzake een exclusief toetsingskader biedt. De rechtmatigheid van de vergunning ingevolge de Kernenergiewet staat in deze procedure niet ter beoordeling.

2.9. Concluderend dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

157.