Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8016

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
200201838/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/4606
JOM 2006/905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201838/1.

Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "SVZ Havenondernemersvereniging Rotterdam", de stichting "Stichting Europoort / Botlek Belangen", de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Hanno Rotterdam B.V.", "Uniport Multipurpose Terminals B.V.”, [appellant], “Gevelco Terminals B.V.”, “Matrans Marine Services B.V.”,

alle gevestigd te Rotterdam,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2000, kenmerk DWM/2000/12791A, heeft verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam krachtens de Wet geluidhinder hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vanwege industrielawaai en wegverkeerslawaai vastgesteld voor nieuw te bouwen woningen in de gemeente Schiedam in het kader van het bestemmingsplan “Gusto 1999”.

Bij besluit van 12 juni 2001 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2001, no. 200103640/2, heeft de Afdeling het besluit van 12 juni 2001 vernietigd.

Bij besluit van 6 maart 2002, kenmerk DWM/DRGG/02/1121, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het tegen het besluit van 14 november 2000 gerichte bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2002.

Bij brief van 4 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. drs. S.O. Voogt, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Schepers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, vertegenwoordigd door mr. N. van Gilst en ir. A.M. van Wijk, ambtenaren van de gemeente, A.A. Geerdes-Jonker Roelants, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de naamloze vennootschap "BSN Glasspack N.V.", vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigde], en de vennootschap onder firma “Dura Bokx”, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton, gemachtigde, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 146 van de Wet geluidhinder staat beroep op de administratieve rechter open overeenkomstig hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.13 van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan tegen een besluit ten aanzien waarvan afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is uitsluitend door een belanghebbende beroep worden ingesteld.

2.1.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.3. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 14 november 2000 heeft verweerder, voorzover te dezen van belang, met toepassing van artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden vastgesteld voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein Waal-/Eemhaven voor 195 nieuw te bouwen woningen in de gemeente Schiedam in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan “Gusto 1999”.

In de hiervoor genoemde uitspraak van 15 november 2001 heeft de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraken van 23 maart 2000, nos. E03.95.0331 en E03.95.0652, overwogen dat een bedrijf dat is gevestigd op een gezoneerd industrieterrein, een rechtens te erkennen belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij een besluit tot vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege dat industrieterrein op woningen binnen die zone. Blijkens het verhandelde ter zitting zijn de bedrijven van "Hanno Rotterdam B.V.", "Uniport Multipurpose Terminals B.V.”, [appellant], “Gevelco Terminals B.V.” en “Matrans Marine Services B.V.” gevestigd op het industrieterrein Waal-/Eemhaven. Gelet hierop zijn deze appellanten belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De vereniging "SVZ Havenondernemersvereniging Rotterdam" en de stichting "Stichting Europoort / Botlek Belangen" hebben noch op grond van hun statutaire doelstelling noch anderszins een bijzondere, rechtens te erkennen, relatie tot één of meer van de betrokken bedrijven, zoals de eigenaren van die bedrijven die wel hebben. De vereniging heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld op eigen naam en is niet gemachtigd door één of meer belanghebbende bedrijven. De Afdeling concludeert hieruit dat de vereniging "SVZ Havenondernemersvereniging Rotterdam" en de stichting "Stichting Europoort / Botlek Belangen" geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht en dat zij ook niet namens belanghebbenden optreden. Om die reden had verweerder het bezwaar van deze rechtspersonen niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het besluit is wat dit betreft in strijd met de hiervoor genoemde bepalingen.

2.2. Woningbouw op het Gusto-terrein heeft volgens appellanten een ongewenste toename tot gevolg van het aantal potentieel gehinderden in de geluidzone van het industrieterrein Waal-/Eemhaven. Centraal in het beroep van appellanten staat de stelling dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder zodat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in dit artikel gegeven mogelijkheid om een zogeheten zeehavenontheffing te verlenen.

2.2.1. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Wet geluidhinder zijn met betrekking tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, vanwege een industrieterrein, van de gevel van binnen de zone nieuw te bouwen woningen, die niet behoren tot de geprojecteerde woningen als bedoeld in het tweede lid of in artikel 65 van deze wet, de artikelen 46, 47, 48 en 51 van deze wet van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder kan bij toepassing van het derde lid met betrekking tot nieuw te bouwen woningen in een gebied gelegen binnen een zone van een industrieterrein met activiteiten die zeehavengebonden zijn en die noodzakelijkerwijs in de open lucht plaatsvinden, voor woningen waarvan de geluidbelasting in hoofdzaak wordt bepaald door die activiteiten, een waarde worden vastgesteld tot ten hoogste 60 dB(A), indien deze woningen worden gebouwd in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van bestaande woongebieden.

2.2.2. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de nieuwbouwwoningen op het Gusto-terrein worden gebouwd in het kader van een herstructurering of planmatige verdichting van bestaande woongebieden als bedoeld in artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder. Onder verwijzing naar de wetgeschiedenis (TK 1990-1991, 20 985, nr. 11, blz 15) en het beleid van verweerder, onder meer vastgelegd in de “Uitvoeringsnota zeehavenontheffing, Toepassing van artikel 67, vierde lid, Wet geluidhinder in de provincie Zuid-Holland” van september 1995 stellen appellanten dat genoemd artikel slechts kan worden toegepast voor locaties binnen bestaande woongebieden. In het onderhavig geval is volgens appellanten geen sprake van een bestaand woongebied maar van een terrein dat al sinds jaar en dag voor industrie is bestemd en geen enkele relevante relatie heeft met andere woonbebouwing in de omgeving. Bebouwing van het onderhavige, buiten bestaand woongebied gelegen terrein heeft volgens appellanten tot gevolg dat woonbebouwing oprukt in de richting van industrie, hetgeen in strijd is met het beleid van verweerder.

Volgens verweerder is wel sprake van een situatie als bedoeld in artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder. In dit verband wijst verweerder op de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 mei 1993, kenmerk MBG 23293014, waarin is gesteld dat een zeehavenontheffing kan worden verleend indien, voorzover te dezen van belang, sprake is van een herstructurering van havenbekkens, haventerreinen of zeehavengebonden activiteiten of van een planmatige verdichting, danwel van een herstructurering van bestaande woongebieden. Volgens verweerder wordt het in artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder neergelegde criterium door appellanten niet op het juiste schaalniveau gezien en in een te strak kader geplaatst. Woningbouw op het Gusto-terrein moet volgens verweerder worden gezien als afronding van de woonwijk Gorzen (gelegen aan de westzijde van de Voorhaven) rondom de Voorhaven. Feitelijk is er volgens verweerder sprake van het over enige afstand verplaatsen van mogelijke industriële activiteiten waarbij de vrijkomende ruimte met woningbouw wordt opgevuld binnen de stedelijke structuur op een zodanig schaalniveau dat deze ontwikkeling tevens kan worden gezien (ook historisch) als planmatige verdichting van bestaand woongebied.

2.2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat de bouwlocatie is gesitueerd op het terrein van de voormalige scheepswerf Gusto. Dit terrein maakt onderdeel uit van het industrieterrein Havens-Noordwest/Oost-Frankeland en is gelegen tussen enerzijds bedrijfsbebouwing op dit industrieterrein en anderzijds de Voorhaven en de Nieuwe Maas. Gelet op het voormalige gebruik van het Gusto-terrein als scheepswerf, de aangrenzende bedrijfsbebouwing en de ligging van het terrein ten opzichte van de aan de overzijde van de Voorhaven gesitueerde woningen, kan bebouwing van het Gusto-terrein naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als herstructurering of planmatige verdichting van een bestaand woongebied als bedoeld in artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder. Voor het in voornoemde brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 mei 1993 neergelegde standpunt dat sprake moet zijn van een herstructurering van havenbekkens, haventerreinen of zeehavengebonden activiteiten of van een planmatige verdichting, danwel van een herstructurering van bestaande woongebieden, hetgeen impliceert dat de zeehavenontheffing ook buiten bestaande woongebieden zou kunnen worden toegepast, is naar het oordeel van de Afdeling noch in dit artikellid noch in de wetsgeschiedenis steun te vinden.

2.2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het in bezwaar gehandhaafde besluit, voorzover daarbij voor 195 woningen hogere grenswaarden zijn vastgesteld voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein Waal-/Eemhaven in strijd is met artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder.

2.3. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om ten aanzien van de vereniging "SVZ Havenondernemersvereniging Rotterdam" en de stichting "Stichting Europoort / Botlek Belangen" met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak te voorzien op de hierna aangegeven wijze. Omdat verweerder in een nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van de overige appellanten geen ander besluit kan nemen dan herroeping van het besluit van 14 november 2000, voorzover daarbij met toepassing van artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder voor 195 woningen hogere grenswaarden zijn vastgesteld voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein Waal-/Eemhaven, ziet de Afdeling aanleiding om ook op dit onderdeel in de zaak te voorzien, zoals hierna is aangegeven.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 6 maart 2002, kenmerk DWM/DRGG/02/1121;

III. verklaart het bezwaar van de vereniging "SVZ Havenondernemersvereniging Rotterdam" en de stichting "Stichting Europoort / Botlek Belangen" niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het bezwaar van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Hanno Rotterdam B.V.", "Uniport Multipurpose Terminals B.V.”, [appellant], “Gevelco Terminals B.V.” en “Matrans Marine Services B.V.” gegrond;

V. herroept het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 november 2000, kenmerk DWM/2000/12791A, voorzover daarbij met toepassing van artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder voor 195 woningen hogere grenswaarden zijn vastgesteld voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein Waal-/Eemhaven;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Zwinkels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

309.