Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF8001

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
200200086/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200086/1.

Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 december 2001 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2000 heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Bij besluit van 8 februari 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 december 2001, verzonden op 2 januari 2002, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 5 februari 2002 is het gemotiveerd. De brief van 5 februari 2002 is aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2002 heeft de vreemdeling van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, vertegenwoordigd door

mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek is gebaseerd op de overweging dat de vreemdeling bij gebrek aan kennis van de Nederlandse taal niet ingeburgerd is in de Nederlandse samenleving.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen de beslissing op het bezwaar van 8 februari 2001 gegrond verklaard, omdat de staatssecretaris het verzoek ten onrechte niet overeenkomstig de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) heeft aangehouden in verband met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.

2.3. De staatssecretaris betoogt dat - samengevat weergegeven - de rechtbank aldus buiten de grenzen van het geschil is getreden, nu de vreemdeling aan haar beroep niet ten grondslag heeft gelegd dat de staatssecretaris de beslissing in primo ten onrechte niet heeft aangehouden en ook in bezwaar niet over het niet aanhouden van de beslissing heeft geklaagd.

2.4. Dat betoog slaagt. De rechtbank is, door, hoewel daartoe geen beroepsgronden waren aangevoerd, te overwegen dat de staatssecretaris het verzoek van de vreemdeling ten onrechte niet heeft aangehouden, buiten de grenzen van het geschil getreden.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren, nu in de aangevoerde beroepsgronden geen grond is te vinden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich op basis van de stukken ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de vreemdeling beschikt over kennis van de Nederlandse taal en zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de door de vreemdeling gestelde persoonlijke omstandigheden geen grond is gelegen om van de in de Handleiding gegeven richtlijnen af te wijken.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 12 december 2001 in zaak nr. 01/503 RWNL;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

15-345.