Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
200204370/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204370/1.

Datum uitspraak: 29 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en anderen,

2. Autocentre De Brug B.V., gevestigd te Zoetermeer, en andere,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2001 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 oktober 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Buytenpark Noordwest, herziening 2000".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 juni 2002, kenmerk DRGG/ARB/01/10661A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 9 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 8 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 25 september 2002. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 september 2002.

Bij brief van 14 november 2002 heeft verweerder laten weten dat de inhoud van de ingediende beroepschriften hem geen aanleiding geeft tot het uitbrengen van een verweerschrift.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 1] en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2003, waar appellanten sub 1, in de persoon van [appellant sub 1], appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. Schravendijk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad IJ.J. Hortensius, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan betreft een partiële herziening van de bestemmingsplannen “Buytenpark/noord-west”, “Verlengde Amerikaweg (N469 1997)” en “Recreatiegebied noord-west”. Met het plan wordt onder meer beoogd een aantal uitbreidingen mogelijk te maken die niet passen in de bestaande regelingen. Zo voorziet het plan onder andere in de bouw van een derde overdekte skihal bij Snowworld en in de uitbreiding van de bestaande begraafplaats, het tuincentrum Intratuin en van het scoutinggebouw.

Het plangebied ligt in het noordwesten van Zoetermeer, tussen de Meerpolder en de Driemanspolder en grenst aan de woonwijk Buytenwegh.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Ten aanzien van de uitbreiding van Snowworld

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit voorziet in de uitbreiding van het indoor skibedrijf Snowworld met een derde skibaan.

[appellant sub 1] en anderen stellen in dit verband dat de uitbreiding van Snowworld wat betreft de toegestane bouwhoogte niet in overeenstemming is met het Koninklijk Besluit van 20 mei 1987, no. 105, inzake het bestemmingsplan “Recreatiegebied noord-west”. Voorts achten zij de uitbreiding in strijd met het Stadsnatuurplan en het streekplan en wijzen zij erop dat het gebied behoort tot onder meer de bufferzone Den Haag-Leiden-Zoetermeer, het Groene Hart en de Groenblauwe Slinger. Daarnaast is naar hun mening onvoldoende rekening gehouden met het aangrenzende polderlandschap, dat in verschillende nota’s en beleidsstukken uit een oogpunt van natuur en cultuurhistorie als waardevol gebied is aangemerkt. Tot slot voeren appellanten bezwaren aan die betrekking hebben op het rapport dat ten aanzien van de derde skihal bij Snowworld aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, en op het advies van de Provinciale Planologische Commissie.

Appellanten Autocentre De Brug B.V. en andere exploiteren een transport- en verhuisbedrijf en een garagebedrijf met tankstation aan de Voorweg. Zij hebben naar voren gebracht dat de gevolgen van de uitbreiding voor de verkeersintensiteit en de parkeerdruk onvoldoende zijn onderzocht en vrezen dat als gevolg van parkeer- en verkeersoverlast op de Voorweg en de Achterweg de bereikbaarheid van hun bedrijven gevaar loopt.

2.3.1. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft de desbetreffende planonderdelen goedgekeurd. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het hier gaat om een intensivering van bestaande geconcentreerde voorzieningen op een reeds aanwezig recreatieterrein. Voorts wijst hij erop dat in vergelijking met de plannen waarop de herziening betrekking heeft, de bebouwingsmogelijkheden in dit plan aanzienlijk zijn teruggebracht. Daarnaast kan volgens verweerder de uitbreiding van de zone die primair bestemd is voor de bescherming en ontwikkeling van natuurwaarden als compensatie worden gezien. Tot slot is verweerder van mening dat de uitbreiding niet zal leiden tot een belangrijke toeneming van het aantal verkeersbewegingen en acht hij de parkeercapaciteit bij Snowworld toereikend.

2.3.2. Uit de stukken blijkt dat de uitbreiding van Snowworld, dat is gevestigd op de hellingen van een voormalige stortplaats voor puin annex berging voor zeefzand, voortvloeit uit de noodzaak om vanwege de toenemende concurrentie van andere overdekte skibanen in de regio het bezoekersaantal op peil te houden. Met het oog hierop biedt de derde skibaan een hogere afdaling dan de bestaande banen in Snowworld. Een gedeelte van deze baan ligt ongeveer 15 meter hoger dan op grond van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan mogelijk was. Dit gedeelte is op de plankaart van de voorliggende herziening voorzien van de aanduiding “hogere bebouwing toegestaan”. Ingevolge artikel 8.3, lid g, van de planvoorschriften bedraagt de toegestane hoogte ter plaatse van deze aanduiding maximaal 35 meter vanaf peil, met een maximum van 32 meter boven N.A.P. Voorts wordt met de aanleg van de nieuwe skibaan de in het vorige bestemmingsplan toegestane maximum bebouwingsoppervlakte van 13.000 m² voor één gebouw overschreden. In dit verband is in de voorliggende herziening binnen de bestemming “Recreatieve doeleinden zone 2 (R2)” de bebouwing van Snowworld op de plankaart door middel van een bouwvlak aangeduid. Het bouwvlak omvat zowel de oorspronkelijke bebouwing als de derde skibaan. Ingevolge artikel 8.3, lid g, van de planvoorschriften mag dit bouwvlak, in afwijking van het maximale bebouwingspercentage van 15 elders binnen genoemde bestemming, voor 100% worden bebouwd.

2.3.3. Voorzover appellanten zich beroepen op het onder overweging 2.3. genoemde Koninklijk Besluit van 20 mei 1987, overweegt de Afdeling dat dit Besluit, voorzover hier van belang, zich alleen uitspreekt over de toelaatbaarheid van de destijds beoogde storthoogte van 35 meter voor de hoogste stortheuvel. In dit verband werd een storthoogte tot 20 meter aanvaardbaar geoordeeld. Uit de overwegingen van genoemd Besluit kan echter niet worden afgeleid dat bebouwing op een hoogte van 20 meter uitgesloten moet worden geacht. Evenmin is in dat Besluit uitspraak gedaan over de in dat verband maximaal toelaatbare bouwhoogte. Los hiervan overweegt de Afdeling dat planologische inzichten in de loop der jaren kunnen wijzigen.

2.3.4. Voorts is het plangebied in het in 1997 vastgestelde streekplan Zuid-Holland West aangeduid als bestaand recreatiegebied. Daarnaast blijkt uit het streekplan dat het plangebied valt binnen de bufferzone Den Haag-Leiden-Zoetermeer en het Groene Hart. Ten aanzien van de bufferzone en het Groene Hart voert verweerder een restrictief vestigingsbeleid en staat behoud van de open groene ruimte voorop. In de gebieden die tot de Groenblauwe Slinger behoren beoogt verweerder een recreatieve en ecologische zone tot stand te brengen van Midden-Delfland met het buitengebied van Leidschendam, Zoeterwoude en Hazerswoude. De Groenblauwe Slinger vormt blijkens het streekplan een continuering van reeds ingezet overheidsbeleid, waaronder het bufferzonebeleid.

Naar het oordeel van de Afdeling staat het beleid met betrekking tot de bufferzone, het Groene Hart en de Groenblauwe Slinger aan de uitbreiding van Snowworld niet in de weg. Daarbij neemt zij in aanmerking dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting in het voorliggende plan het totaal aan bouwmogelijkheden ten opzichte van de vorige plannen met ongeveer 31.000 m² is teruggebracht. Voorts is gebleken dat binnen de bestemming “Recreatieve doeleinden zone 1 (R1)”, de zone die primair is bestemd voor de ontwikkeling en bescherming van natuurwaarden is uitgebreid van 100 meter tot ongeveer 600 meter ter hoogte van Snowworld en ongeveer 450 meter in het westelijk plangebied. Tevens acht de Afdeling van belang dat de herziening de aan de desbetreffende gronden toegekende bestemming niet wijzigt, maar alleen betrekking heeft op de toegestane bouwhoogte en de oppervlaktebepaling voor één gebouw.

Daarnaast is niet gebleken dat het plangebied is aangewezen als kern- of natuurontwikkelingsgebied in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur dan wel onderdeel uitmaakt van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland of de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.

Voorts overweegt de Afdeling dat ingevolge het Stadsnatuurplan van Zoetermeer stedelijke ontwikkelingen in de zogenoemde stergebieden – dit zijn gebieden met een grote (potentiële) natuurwaarde – eerst dan niet langer mogelijk zijn, indien dit in een bestemmingsplan is vastgesteld.

2.3.5. Voorzover appellanten hebben gewezen op de bijzondere waarde van het aangrenzende polderlandschap, stelt de Afdeling aan de hand van de stukken vast dat de derde skibaan vanwege de bouwhoogte ervan vanuit de nabij gelegen Zoetermeerse Polder en de Drooggemaakte Grote Polder duidelijk zichtbaar is. De Afdeling acht de verstoring van het polderlandschap echter niet van dien aard dat verweerder daaraan bij de afweging van de betrokken belangen belangrijk gewicht moest toekennen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat blijkens de stukken – met name het deskundigenbericht – de uitbreiding van Snowworld niet het enige gebouw is dat afbreuk doet aan de landschappelijke beleving van de polder.

Voorts zijn er naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het aan het plan ten grondslag gelegde advies van Landschapsarchitectuur Gerard Jol bv van 11 november 1999 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Tevens is niet aannemelijk gemaakt dat de derde skibaan de aanleg van een vogelweidereservaat in de Zoetermeerse Polder in gevaar zal brengen.

Daarnaast zijn, anders dan appellanten veronderstellen, de Zoetermeerse Polder en de Drooggemaakte polder niet aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn, of op de in artikel 4, tweede lid, derde alinea, van deze richtlijn bedoelde lijst geplaatst.

2.3.6. Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat het door de Provinciale Planologische Commissie uitgebrachte advies onvolledig dan wel onjuist is, overweegt de Afdeling dat dit advies niet in deze procedure ter beoordeling staat. Overigens blijkt uit het bestreden besluit voldoende duidelijk dat verweerder zich een eigen oordeel over het plan en de bedenkingen heeft gevormd.

2.3.7. Ten aanzien van de door Autocentre De Brug B.V. en andere gevreesde toeneming van de parkeer- en verkeersoverlast, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van Snowworld geen zodanige gevolgen heeft voor de parkeer- en verkeersdruk dat de bereikbaarheid van de bedrijven van appellanten gevaar loopt. Daarbij is in aanmerking genomen dat Snowworld blijkens de stukken beschikt over ongeveer 528 parkeerplaatsen. Mede gelet op het deskundigenbericht, acht de Afdeling niet aannemelijk dat hiermee – ook na de uitbreiding - niet in de reguliere parkeerbehoefte van Snowworld kan worden voorzien. Daarnaast is gebleken dat het bezoekersaanbod voor Snowworld het grootst is tijdens de avonduren en op zondagen. Het merendeel van de bedrijfsactiviteiten van appellanten vindt, zo blijkt uit de stukken, overdag en door de week plaats. Voorts zijn de bedrijven van appellanten op zondagen gesloten. Tevens wijst de Afdeling erop dat ingevolge artikel 8.5, lid c, van de planvoorschriften vrijstelling kan worden verleend voor een gebouwde parkeervoorziening, waarmee de parkeercapaciteit bij Snowworld kan worden uitgebreid.

Wat de verkeershinder betreft, blijkt uit het deskundigenbericht dat bezoekers van Snowworld in mindere mate van de Voorweg gebruik maken, aangezien de meest voor de hand liggende route naar Snowworld loopt via de Amerikaweg en de Buytenparklaan, hetgeen door appellanten niet is bestreden. De Afdeling acht dan ook niet aannemelijk dat de uitbreiding met een derde skihal aanmerkelijke gevolgen zal hebben voor het verkeersaanbod op de Voorweg en Achterweg, temeer nu niet is gebleken dat het aantal bezoekers sinds de uitbreiding in belangrijke mate is toegenomen.

2.3.8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voorzover dit voorziet in de uitbreiding van Snowworld met een derde skibaan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond. Het beroep van Autocentre De Brug B.V. en andere is in zoverre ongegrond.

Het beroep van Autocentre De Brug B.V. en andere voor het overige

2.4. Autocentre De Brug B.V. en andere hebben voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit voorziet in de uitbreiding van tuincentrum Intratuin en het gebouw van de scoutingvereniging. Zij stellen dat de gevolgen van deze uitbreidingen, mede gelet op de uitbreiding van Snowworld, voor de verkeersintensiteit en de parkeerdruk onvoldoende zijn onderzocht en vrezen dat als gevolg van parkeer- en verkeeroverlast op de Voorweg en de Achterweg de bereikbaarheid van hun bedrijven gevaar loopt. Voorts voeren appellanten bezwaren aan tegen de verplaatsing van het scoutinggebouw naar een locatie aan de Achterweg. Dit leidt naar hun mening tot een gevaarlijke verkeerssituatie, aangezien de locatie achter de uitgang van hun bedrijven ligt.

2.4.1. Verweerder heeft geen reden gezien de desbetreffende gedeeltes van het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft deze planonderdelen goedgekeurd. Verweerder verwacht geen beduidende toeneming van de verkeers- en parkeerdruk als gevolg van deze uitbreidingen. Ten aanzien van de uitbreiding van het tuincentrum heeft hij er in dit verband op gewezen dat de bezoekersstroom op zaterdag het grootst is. Op deze dag veroorzaken de bedrijfsactiviteiten van appellanten volgens hem minder verkeersbewegingen dan gedurende de reguliere bedrijfstijden. Wat de uitbreiding van het scoutinggebouw betreft, heeft verweerder overwogen dat de scouts in het algemeen jeugdige personen zijn, die zich niet per auto verplaatsen. Naar de mening van verweerder was er dan ook geen aanleiding de gevolgen voor de parkeer- en verkeersdruk nader te onderzoeken.

2.4.2. Voorzover de bezwaren van appellanten zich richten tegen de verplaatsing van het scoutinggebouw naar de Achterweg als zodanig, overweegt de Afdeling dat de vestiging van een scoutinggebouw op deze locatie geen onderdeel uitmaakt van de hier aan orde zijnde herziening en reeds op basis van het bestemmingsplan “Buytenpark noord-west” mogelijk was. Deze bezwaren kunnen dan ook thans niet meer aan de orde worden gesteld.

Voorts overweegt de Afdeling dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat de in het plan voorziene uitbreidingen van tuincentrum Intratuin en het scoutinggebouw – ook niet in combinatie met de uitbreiding van Snowworld - zodanige gevolgen hebben voor de parkeer- en verkeersdruk dat de bereikbaarheid van de bedrijven van appellanten gevaar loopt. De Afdeling verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen zij onder 2.3.7. in het bijzonder ten aanzien van de uitbreiding van Snowworld heeft overwogen. Voorts heeft zij het volgende in aanmerking genomen.

Blijkens de stukken zijn op het terrein van tuincentrum Intratuin in totaal 440 parkeerplaatsen aanwezig. Mede gelet op het deskundigenbericht, acht de Afdeling niet aannemelijk dat hiermee – ook na uitbreiding - niet in de reguliere parkeerbehoefte van het tuincentrum kan worden voorzien. Daarnaast is gebleken dat het bezoekersaanbod voor het tuincentrum het grootst is gedurende de avonden en in het weekeinde, terwijl het merendeel van de bedrijfsactiviteiten van appellanten overdag en door de week plaatsvindt. Weliswaar komt uit de stukken naar voren dat op een aantal topdagen de parkeercapaciteit ontoereikend is, maar gebleken is dat dit veelal zondagen betreft, op welke dag de bedrijven van appellanten gesloten zijn. Voorts wijst de Afdeling erop dat ingevolge artikel 10.4, lid b, van de planvoorschriften vrijstelling kan worden verleend voor een gebouwde parkeervoorziening, waarmee de parkeercapaciteit bij het tuincentrum kan worden uitgebreid. Wat de uitbreiding van het scoutinggebouw betreft, acht de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, niet aannemelijk dat deze tot een belangrijke toeneming van de parkeerdruk zal leiden. Het standpunt van verweerder dat de deelnemers aan de scoutingactiviteiten veelal jonge mensen zijn, komt de Afdeling in dit verband niet onjuist voor.

Ten aanzien van de door appellanten gevreesde verkeershinder, blijkt uit de stukken dat de bezoekers van het tuincentrum veelvuldig gebruik maken van de Voorweg. De Afdeling acht echter aannemelijk dat de gevolgen daarvan voor de bereikbaarheid van de bedrijven van appellanten beperkt zijn, nu, zoals reeds is overwogen, de drukste momenten voor het tuincentrum niet samenvallen met de dagen waarop doorgaans de meeste activiteiten bij de bedrijven van appellanten plaatsvinden. Om dezelfde reden acht de Afdeling aannemelijk dat ook de gevolgen van de uitbreiding van het scoutinggebouw voor de bereikbaarheid van de bedrijven beperkt zullen zijn, nu blijkens het deskundigenbericht de scoutingactiviteiten verspreid gedurende de avonden en de zaterdag plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5. Autocentre De Brug B.V. en andere hebben voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in de mogelijkheid hun transportbedrijf uit te breiden. Teneinde het transportbedrijf te kunnen moderniseren wensen appellanten de vloeroppervlakte uit te breiden van 800 m² naar 1.200 m² en de bouwhoogte te verhogen tot minimaal 15 meter en bij voorkeur 20 meter. Het plan staat slechts een bouwhoogte van maximaal 7.50 meter toe. Appellanten hebben erop gewezen dat het plan wel een aanzienlijke uitbreiding van tuincentrum Intratuin en Snowworld mogelijk maakt.

2.5.1. De gemeenteraad heeft niet ingestemd met de gevraagde uitbreiding. Hij acht een hogere dan de thans toegestane bouwhoogte in relatie tot het omliggende gebied onaanvaardbaar. Gelet op de ligging langs de Voorweg acht de gemeenteraad uitbreiding van de bedrijfsvloeroppervlakte evenmin aanvaardbaar. De uitbreiding van het tuincentrum betreft volgens de gemeenteraad een herschikking van bestaande bouwmogelijkheden.

2.5.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft de desbetreffende planonderdelen goedgekeurd. Hij acht het standpunt van de gemeenteraad om het kleinschalige karakter van de omgeving te behouden niet onredelijk. In dit verband wijst hij erop dat zich aan de Voorweg overwegend oudere lintbebouwing bevindt met een plaatselijk nog aantrekkelijk karakter. Dergelijke bebouwing is volgens verweerder ook in de onmiddellijke nabijheid van de bedrijven van appellanten nog aanwezig. Voorts acht verweerder de bebouwingsgraad van de bij de bebouwing behorende erven en andere terreinen van belang. Ter zitting heeft verweerder er nog op gewezen dat Snowworld ligt in een andere zone van het plangebied, die bestemd is voor intensievere vormen van sport en recreatie en dat Intratuin is gevestigd aan de Amerikaweg, één van de stedelijke wegen van Zoetermeer.

2.5.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellanten gewenste uitbreidingsmogelijkheden zich niet verhouden met het kleinschalige karakter van de bebouwing langs de Voorweg. Voorzover appellanten erop hebben gewezen dat de nabijgelegen klimhal en Snowworld beide een grotere hoogte hebben dan 7.50 meter, overweegt de Afdeling dat deze gebouwen zijn gelegen in een andere zone van het plangebied op minimaal enige honderden meters afstand van het bedrijf van appellanten. Voorts is de Afdeling van oordeel dat verweerder de verschillen ten aanzien van de uitbreidingen bij Intratuin en Snowworld voldoende heeft onderbouwd.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.6. Tot slot hebben Autocentre De Brug B.V. en andere aangevoerd dat verweerder ten onrechte artikel 8.3, lid g, van de planvoorschriften heeft goedgekeurd, voorzover ingevolge dit artikel in zone 4 uitbreiding van de bestaande schuur ten behoeve van het afdraven en trainen van fokpaarden uitsluitend is toegestaan loodrecht op de Voorweg en aan de van de Voorweg afgekeerde zijde. Appellanten betogen dat een dergelijke situering met zich brengt dat de buitenbak moet worden afgebroken, terwijl landschappelijk verantwoorde alternatieven voorhanden zijn.

2.6.1. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van genoemd onderdeel van de planvoorschriften in aanmerking genomen dat in verband met het handhaven en versterken van de openheid en de ruimtelijke structuur van het Voorweg-gebied, gebouwen in beginsel in de lengterichting haaks op de weg dienen te worden geplaatst. Gelet hierop, dient de uitbreiding van de schuur, gezien vanaf de Voorweg, aan de achterzijde te worden gerealiseerd.

2.6.2. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en dit onderdeel van de planvoorschriften goedgekeurd. Verweerder kan zich met de landschappelijke motieven van de gemeenteraad verenigen. Naar zijn mening behoeft aan de omstandigheid dat de buitenbak moet worden verplaatst geen belangrijke betekenis te worden toegekend, aangezien dit slechts een betrekkelijk eenvoudige voorziening betreft.

2.6.3. Het uitgangspunt om uit landschappelijke overwegingen gebouwen in beginsel alleen in de lengterichting haaks op de Voorweg te plaatsen, komt de Afdeling niet onredelijk voor. De Afdeling stelt aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de door appellanten gewenste situering daarmee niet in overeenstemming is en ten koste gaat van het doorzicht vanaf de Voorweg naar de Achterweg en het daarachter gelegen volkstuinencomplex. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder een afwijking van dit uitgangspunt had moeten toestaan. De door appellanten aangevoerde omstandigheid dat de in het plan voorziene plaats van de uitbreiding ertoe leidt dat de buitenbak moet worden afgebroken, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het standpunt van verweerder dat dit een betrekkelijk eenvoudige voorziening betreft, komt de Afdeling in dit verband niet onredelijk voor.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.7. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van Autocentre De Brug B.V. en andere is ook in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003

177-363.