Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
200301242/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301242/1.

Datum uitspraak: 23 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2002, in zaak no. 200200073/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 24 december 2002, in zaak no. 200200073/1, heeft de Afdeling de beroepen van [partijen] en verzoeker gegrond verklaard en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 18 december 2001, kenmerk Wmb/15262, vernietigd.

Bij brief gedateerd 20 januari 2003 heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2003, waar verzoeker in persoon is verschenen. Voorts zijn daar i[partijen], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college van burgemeester en wethouders van Breda, vertegenwoordigd door drs. J.A.F. Koning en ing. M.A.P.C. Beljaars, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2002, waarvan

verzoeker herziening vraagt, heeft de Afdeling het besluit tot verlening van een milieuvergunning aan verzoeker vernietigd, omdat het college van burgemeester en wethouders van Breda naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende had onderzocht of hij bevoegd was de vergunning te verlenen in verband met de aanwezigheid van brijvoer in de inrichting.

In het verzoek om herziening heeft verzoeker - kort gezegd - betoogd dat in voornoemde uitspraak is beslist op een punt dat niet eerder dan ter zitting aan de orde is gekomen en dat de bijproducten die in zijn inrichting worden opgeslagen ten behoeve van de productie van brijvoer niet kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen omdat deze producten voldoen aan zogenoemde G.M.P.-waarden.

2.2. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indieners van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel herziening er niet toe dient om een geschil waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.

Voorts overweegt de Afdeling dat de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om op de aanvraag om een milieuvergunning te beslissen een door de Afdeling ambtshalve te toetsen punt betreft. De Afdeling overweegt verder dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd omtrent de G.M.P.-waarden (de kwaliteitsgarantie van diervoeder) verzoeker bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn vóór de uitspraak. Gelet op het voorgaande is geen sprake van feiten of omstandigheden als bedoeld in voormelde bepaling.

2.4. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van 24 december 2002, no. 200200073/1, af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Koten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2003

324.