Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
200203639/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203639/1.

Datum uitspraak: 23 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], en anderen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], en anderen,

appellanten,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet op 28 mei 2002 vastgesteld het Tracébesluit voor de uitvoering van de maatregelen rijksweg 7, Zuidelijke Ringweg Groningen (hierna: het tracébesluit).

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 5 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2002, en appellanten sub 2 bij brief van 26 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 augustus 2002.

Bij brief van 30 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. P.T. Bakker, advocaat te Groningen, appellanten sub 2, in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.A.J. Gierveld, drs. F.M.E. Zoete en M. Nijenhuis, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het tracébesluit heeft betrekking op de eerste fase van veranderingen van de infrastructuur aan de zuidkant van de stad Groningen. Het tracébesluit voorziet onder meer in de aanleg als autoweg van een kortsluitende verbinding tussen de A7 nabij Engelbert en de N47 ter hoogte van de aansluiting Driebond, het zogenoemde Euvelgunnetracé-Noord. In het tracébesluit is ter plaatse van de kruising van de Olgerweg met dit Euvelgunnetracé voorzien in een fiets- en voetgangersonderdoorgang. De Olgerweg komt als weg voor al het gemotoriseerde verkeer te vervallen.

2.2. Appellanten kunnen zich niet met het tracébesluit verenigen, in zoverre de Olgerweg wordt afgesloten voor doorgaand autoverkeer. Zij vrezen dat door afsluiting van de Olgerweg economische en sociale verbanden worden ontwricht, omdat deze weg de verbindingsweg is met de stad Groningen voor onder meer hun bedrijven en gezinnen in Engelbert en Middelbert. Er kan eenvoudig worden voorzien in een tunnel voor autoverkeer, aldus appellanten. Volgens appellanten sub 2 biedt het Masterplan van de gemeente geen garantie dat de bereikbaarheid van Groningen gewaarborgd blijft.

2.3. Blijkens de stukken stelde verweerder zich ten tijde van het nemen van het tracébesluit op het standpunt dat op adequate wijze wordt voorzien in de ontsluiting van de dorpen Engelbert en Middelbert in het zogenoemde Masterplan van de gemeente Groningen, dat betrekking heeft op de nieuwe wijk Meerstad ten oosten van Groningen. Gebleken is echter dat de ontwikkeling van Meerstad vertraging heeft opgelopen. Van een meer of minder concreet plan, waarin de toekomstige ontwikkeling en ontsluiting van Meerstad is vastgelegd, inclusief de verbindingswegen met Engelbert en Middelbert, is geen sprake. De Afdeling is van oordeel dat verweerder er in zoverre bij het nemen van zijn besluit in redelijkheid niet van heeft kunnen uitgaan dat op adequate wijze zou worden voorzien in ontsluiting van de dorpen Engelbert en Middelbert, op grond waarvan afsluiting van de Olgerweg zou zijn gerechtvaardigd. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, in zoverre hierin is bepaald dat de tunnel in de Olgerweg uitsluitend wordt opengesteld voor fietsers en voetgangers. De beroepen zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht gedeeltelijk dient te worden vernietigd.

2.4. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de breedte- en hoogtematen van de tunnel, zoals die in het tracébesluit zijn opgenomen, onvoldoende zijn voor een tunnel waarvan personenautoverkeer gebruik kan maken, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder zich thans op het standpunt stelt dat de tunnel kan en zal worden opengesteld voor personenautoverkeer. Ter zitting heeft hij aannemelijk gemaakt dat de tunnel hiervoor, binnen de in het tracébesluit opgenomen breedte- en hoogtematen, geschikt kan worden gemaakt.

De volledige breedte van de tunnel bedraagt volgens het bestreden besluit 5,7 meter. In de tunnel zullen volgens verweerder een rijbaan met een breedte van 4,00 meter en een fiets- en voetpad met een breedte van 1,70 meter worden aangelegd. Gesteld is dat hiermee zal worden voldaan aan de in het Handboek wegontwerp (herziening Richtlijnen Ontwerp Niet-Autosnelwegen) voorgeschreven maat voor een erftoegangsweg. Niet is gebleken dat dit standpunt onjuist is. De verkeersveiligheid in de tunnel kan naar het oordeel van de Afdeling door verkeersmaatregelen worden gewaarborgd. Uit de stukken is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen in dit kader heeft toegezegd dat de onderdoorgang zal worden vormgegeven op een veilige en verantwoorde manier.

De doorrijhoogte van de tunnel bedraagt volgens het tracébesluit 2,60 meter. Hulpdiensten zullen van de tunnel daarom geen gebruik kunnen maken. Ter zitting is echter gebleken dat door routecoördinatoren en beleidsmedewerkers van de Regionale Brandweer en van de Regionale Ambulance Voorziening Groningen B.V. is meegedeeld dat een beperkte openstelling van de tunnel voor de hulpdiensten geen belemmering oplevert met betrekking tot de bereikbaarheid van de kernen Engelbert, Middelbert en Harkstede.

Gelet op het vorenstaande is het standpunt van verweerder, dat de breedte- en hoogtematen die in het tracébesluit voor de tunnel zijn opgenomen voldoende groot zijn voor een adequate en veilige ontsluiting voor personenautoverkeer van de dorpen Engelbert en Middelbert via de Olgerweg, naar het oordeel van de Afdeling niet onjuist. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 te worden veroordeeld. Met betrekking tot appellanten sub 2 is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van verweerder van 28 mei 2002 (Tracébesluit voor de uitvoering van de maatregelen rijksweg 7, Zuidelijke Ringweg Groningen) voorzover het betreft,

1. het gedeelte “fiets- en voetgangers” van het woord “fiets- en voetgangersonderdoorgang” en de zin “De Olgerweg komt als weg voor alle verkeer te vervallen.” in artikel 2, deelproject 4, vijfde “bolletje” en

2. het gedeelte “Fiets- en voetgangers” van het woord “Fiets- en voetgangersonderdoorgang” in tabel 1: Kunstwerken, behorende bij artikel 7 van het tracébesluit, negende rij, eerste kolom;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden te worden betaald aan appellant sub 1;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellanten sub 1 en € 109,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Veenman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Veenman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2003

280-410.