Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
200204314/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204314/1.

Datum uitspraak: 23 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Sociale Databank Nederland", gevestigd te Velp,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2002, kenmerk 807802, heeft verweerder het verzoek van appellante om handhavend op te treden tegen het uitvoeren van baggerwerkzaamheden, het verwerken, tijdelijk opslaan en hergebruiken van slibspecie op en nabij de Oude Gracht te Eindhoven afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 september 2002.

Bij brief van 28 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 13 maart 2003 nadere stukken ingediend. Deze zijn aan verweerder gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooy, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. de Groot en ing. S.L. Winter, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Namens het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven is het woord gevoerd door mr. J.D. van Arkel, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het handhavingsverzoek is gericht tegen het uitvoeren van bagger- activiteiten, het verwerken, tijdelijk opslaan en hergebruiken van slibspecie op en nabij de Oude Gracht te Eindhoven zonder vergunning ingevolge de Wet milieubeheer.

2.2. Appellante stelt zich op het standpunt, kort weergegeven, dat alle hiervoor genoemde activiteiten met baggerspecie uit de Oude Gracht samen één inrichting vormen en dat daarvoor een vergunningplicht geldt.

2.3. De betrokken activiteiten zijn beëindigd alvorens appellante beroep heeft ingesteld bij de Afdeling. Zij kan met een behandeling van haar beroep daarom niet bereiken wat zij met het instellen van haar beroep heeft beoogd, te weten het stilleggen van de betreffende activiteiten en het afdwingen van een vergunning daarvoor.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat appellante een rechtens te respecteren belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing van het verzoek om handhaving. Haar standpunt, dat kortweg inhoudt dat haar een rechtelijk oordeel wordt onthouden doordat verweerder op haar verzoek om handhaving heeft beslist nadat de baggeractiviteiten waren afgerond en dat door de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling op haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening geen effectieve rechtsbescherming is geboden tegen die termijnoverschrijding door verweerder, is geen aanleiding voor een ander oordeel omtrent het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep.

2.4. Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van processueel belang.

2.5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga

en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2003

157.