Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
200204956/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204956/1.

Datum uitspraak: 23 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 2 augustus 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik door de Stichting Scouting Belfeld (hierna: de stichting) van een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Belfeld, gelegen nabij de Beatrixlaan te Belfeld (hierna: het perceel) als speel- en activiteitenterrein.

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. L.M.A. Schrieder, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kern Belfeld” rust op het perceel de bestemming “Groenvoorzieningen (G)”.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Groenvoorzieningen aangewezen gronden bestemd voor de navolgende doeleinden:

a. groenvoorzieningen inclusief speelvoorzieningen;

b. waterpartijen;

c. voorzieningen voor het langzaam verkeer, zoals wandel- en fietspaden;

d. doeleinden van openbaar nut;

e. huisweiden;

f. tuinen;

g. additionele voorzieningen.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is het verboden gronden begrepen in dit plan te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemmingen.

2.2. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat het clubgebouw van de stichting zich bevindt op aan het perceel grenzende gronden met de bestemming “Maatschappelijke doeleinden”. Een gedeelte van het perceel is bij de grond van het clubgebouw gevoegd en omrasterd. Het omrasterde gedeelte wordt uitsluitend door de stichting gebruikt als speel- en activiteitenterrein. De activiteiten die daar plaatsvinden zijn ondermeer het doen van spellen, het bouwen en weer afbreken van stellages en hutten en incidenteel kamperen. Het geschil heeft betrekking op dat deel van het perceel dat aansluitend aan de tuin van de woning van appellant is gelegen en dat in februari 2001 door de stichting in gebruik is genomen en in dat kader omrasterd is.

2.3. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het perceelsgedeelte, mede in verband met de daarmee gepaard gaande overlast, in strijd is met de bestemming “Groenvoorzieningen (G)” en derhalve met het in artikel 21 van de planvoorschriften opgenomen gebruiksverbod. Dit betoog treft doel.

2.4. Ingevolge artikel 5 tot en met 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Woondoeleinden I” , “Woondoeleinden II”, “Woondoeleinden III”, “Centrumdoeleinden”, “Gemengde doeleinden” aangewezen gronden mede bestemd voor groen- en speelvoorzieningen.

Ingevolge artikel 5 tot en met 9, tweede lid, sub a, onder 3c, van de planvoorschriften, is het gebruik van groenvoorzieningen in het openbaar gebied als tuin door particulieren toegestaan, mits het groenvoorzieningen betreft van beperkte omvang onmiddellijk grenzend aan huiskavels en niet gelegen in de bestemming “Groenvoorzieningen (G)”.

2.5. In artikel 13 van de planvoorschriften is een dergelijke uitzondering voor het gebruik van groenvoorzieningen in het openbaar gebied als tuin door particulieren niet opgenomen. Wel is daarin een afzonderlijke bestemming “tuinen” opgenomen, maar zonder verbinding met het begrip particuliere. Uit genoemde bepalingen in onderlinge samenhang bezien moet worden afgeleid dat de in nadere bestemmingen van de bestemming “Groenvoorziening (G)” genoemde doeleinden, w.o. “tuinen” en “groenvoorzieningen inclusief speelvoorzieningen” een openbaar karakter hebben. De afrastering van het terrein en het uitsluitend gebruik daarvan door de stichting verdragen zich daar niet mee. Daarbij komt dat op het terrein, waarop het clubgebouw van de stichting is gevestigd, de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” rust en dat de (buiten)activiteiten die in het kader van de doelstelling van de stichting op het aangrenzend omheinde perceel plaatsvinden moeten worden aangemerkt als gebruik in overeenstemming met deze bestemming. Anders dan het college in het besluit op bezwaar heeft overwogen is de omstandigheid dat het de intentie is geweest om met het plan de bestaande toestand te bestemmen niet doorslaggevend voor de uitleg van de planvoorschriften, temeer nu in de algemene beschrijving in hoofdlijnen, in artikel 4 van de planvoorschriften, slechts is opgenomen dat de bestaande toestand het belangrijkste vertrekpunt van het plan is. Gelet op de planvoorschriften, in onderlinge samenhang bezien, is het gebruik van het in geding zijnde omrasterde perceelsgedeelte door de stichting naar het oordeel van de Afdeling dan ook in strijd met de bestemming “Groenvoorzieningen (G)” en derhalve op grond van artikel 21 verboden. Het college is er derhalve in de beslissing op bezwaar ten onrechte van uitgegaan dat geen sprake was van een gebruik in strijd met de bestemming en dat zij daarom niet bevoegd was om handhavend op te treden.

2.6. Ingevolge artikel 24, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, mag, indien, ten tijde van het van kracht worden van het plan, gronden en opstallen worden gebruikt in afwijking van het plan, dat gebruik worden voortgezet.

Ingevolge artikel 24, derde lid, onder b, van de planvoorschriften, is het tweede lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen in strijd met de overgangsbepalingen van dat plan.

2.7. Het gebruik is aangevangen in februari 2001 en het bestemmingsplan is nadien van kracht geworden, zodat in beginsel artikel 24, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften van toepassing is. Niet duidelijk is echter of het gebruik reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan en derhalve of genoemde bepaling een belemmering vormt voor het college om handhavend op te treden.

2.8. Gelet op het voorgaande kan de beslissing op bezwaar niet gedragen worden door de motivering die daaraan ten grondslag ligt en is deze in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit miskend.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het inleidende beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 2 augustus 2002, 02/231;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo van 15 januari 2002, COBMJ, nr. 01/23520;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Venlo op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venlo in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Venlo te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Venlo aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 274,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2003

53-398.