Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
200203820/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 275 met annotatie van A.A.J. de Gier
Module Ruimtelijke ordening 2003/794
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203820/1.

Datum uitspraak: 23 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Kesteren,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2001 heeft de gemeenteraad van Kesteren, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders, vastgesteld het bestemmingsplan "Kern Opheusden".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 juni 2002, kenmerk RE2001.112154, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 15 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2002, appellant sub 2 bij brief van 20 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2002, en appellant sub 3 bij brief van 2 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2002. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 21 augustus 2002.

Bij brief van 24 september 2002 heeft verweerder meegedeeld dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant sub 1. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2003, waar appellant sub 1 (hierna te noemen: het college), vertegenwoordigd door [wethouder], en drs. K.W.M. Melissen-van Haaren en mr. C.J. Grasmeijer, ambtenaren van de gemeente, appellant sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellant sub 3 in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. E. Waterval, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn daar als partij verschenen [naam rechtspersoon], in persoon en bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. P.C. Bielen en ing. M. Jansen, ambtenaren van de directie

Oost-Nederland van Rijkswaterstaat, en [naam rechtspersoon], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de gehele kern Opheusden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder deels goedkeuring onthouden aan het plan en het voor het overige goedgekeurd.

2.3. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” ter plaatse van het perceel Kastanjelaan 23 (kadastraal bekend sectie B, no. 1453). Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel een mogelijke inbreidingslocatie betreft die niet zonder meer van bebouwing mag worden uitgesloten. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad onvoldoende aangetoond dat het perceel zodanige beeld- en/of karakterbepalende kwaliteiten bezit dat het onbebouwd dient te blijven.

2.3.1. Het college kan zich met deze onthouding van goedkeuring niet verenigen. Appellant stelt dat het standpunt van verweerder wel geldt voor grotere locaties die op het schaalniveau van de ruimtelijke structuur van Opheusden als geheel kunnen en moeten worden beoordeeld, doch dat verweerder miskent dat sommige kleinere open plekken uit stedenbouwkundig oogpunt een belangrijke functie kunnen hebben op straat- of kavelniveau. Het college stelt dat het betrokken perceel een dergelijke functie vervult door de doorkijk naar de achter het perceel gelegen woningen.

Daarnaast stelt het college dat verweerder de beleidsvrijheid van de gemeenteraad heeft aangetast door alleen dit perceel aan te wijzen als geschikt voor de bouw van één enkele woning.

2.3.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan het betrokken perceel toegekende bestemming “Agrarische doeleinden” in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat overwegende planologische bezwaren bestaan tegen de bestemming “Agrarische doeleinden”. Gelet op de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid bestemmingen aan te wijzen die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht, betreft de stelling van verweerder dat het perceel als een mogelijke inbreidingslocatie dient te worden aangemerkt, geen overwegend planologisch bezwaar.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder door goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” ter plaatse van het perceel Kastanjelaan 23 (kadastraal bekend sectie B, no. 1453), heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep van het college is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Nu verweerder bij een nieuw te nemen besluit uitsluitend goedkeuring kan verlenen aan het betrokken plandeel, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien.

2.4. Verweerder heeft voorts goedkeuring onthouden aan de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden EG (s)” ter plaatse van de percelen Rijnbandijk 16 en 18. Volgens hem is de voorziene bouw van 20 gestapelde woningen in strijd met het streekplan alsmede de Beleidslijn “Ruimte voor de Rivier” (hierna te noemen: de Beleidslijn).

2.4.1. Het college en [appellant sub 2] kunnen zich met deze onthouding van goedkeuring niet verenigen. Het college voert allereerst aan dat de in het plan voorziene functiewijziging binnen het beleid van de Beleidslijn past. Bovendien stellen appellanten dat het plan door de vervanging van de bedrijfsruimte door woningen meer ruimte voor de rivier biedt omdat een deel van de bebouwing op palen komt te staan.

Voorzover het plan niet binnen de Beleidslijn past, betogen appellanten dat de voorziene woningbouw een zwaarwegend maatschappelijk belang dient doordat bestaande bebouwing gesaneerd wordt en de verkeerssituatie ter plaatse verbeterd kan worden.

Het college stelt voorts dat de betrokken locatie moet worden aangemerkt als een inbreidingslocatie. Naar zijn mening kan een vervanging van bestaande bebouwing binnen de bebouwde kom nooit worden aangemerkt als een uitbreiding van die bebouwde kom.

2.4.2. Op 19 april 1996 is een eerste versie van de Beleidslijn gepubliceerd (Stcr. 1996, 77). Op 12 mei 1997 is een tweede versie van de Beleidslijn gepubliceerd (Stcr. 1997, 87). Deze Beleidslijn heeft blijkens zijn tekst als doelstelling meer ruimte voor de rivier te scheppen, mens en dier duurzaam te beschermen tegen overstroming en materiële schade te beperken. In de Beleidslijn, die van toepassing is verklaard op alle nieuwe activiteiten, waaronder wijziging van bestaande activiteiten, in het winterbed van de grote rivieren, geldt als hoofdlijn dat in het winterbed van de grote rivieren in principe geen nieuwe ingrepen worden toegestaan die zouden kunnen leiden tot waterstandsverhoging in de huidige situatie, en/of tot feitelijke belemmeringen voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, en/of tot potentiële schade bij hoogwater.

Voor nieuwe ingrepen die wel tot bovengenoemde effecten zouden kunnen leiden, wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die op voorhand onlosmakelijk gebonden zijn aan het winterbed van de rivier ("ja, mits"-activiteiten) en overige activiteiten ("nee, tenzij"-activiteiten).

De Beleidslijn bepaalt ten aanzien van de "nee, tenzij"-activiteiten dat deze ingrepen in principe niet worden toegestaan, tenzij op basis van voorafgaand onderzoek kan worden aangetoond dat sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, de activiteit niet redelijkerwijs buiten het winterbed kan worden gerealiseerd en de activiteit op de locatie geen feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoercapaciteit te vergroten. Voor “nee, tenzij” activiteiten die na deze beoordeling resteren, geldt dat deze in het winterbed kunnen worden ondernomen indien de situering en uitvoering van de ingreep zodanig zijn dat de waterstandsverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn, de resterende waterstandsverhogende effecten duurzaam worden gecompenseerd en een beschermingsniveau van 1:1250 voor potentiële schadegevallen wordt gewaarborgd.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

2.4.3. In het Streekplan Gelderland 1996 (hierna: het streekplan)

is het provinciale beleid ten aanzien van de uiterwaarden neergelegd

(pagina 92 e.v.). Hierin is aangegeven dat het rijksbeleid, neergelegd in de Beleidslijn, op hoofdlijnen is geïmplementeerd in het streekplan. Voor de uiterwaarden is de beleidsbeschrijving landelijk gebied B van toepassing. Het beleid richt zich op een duurzame bescherming van mens en dier tegen overstroming bij hoogwater en het beperken van materiële schade. Het beheer van het winterbed is zodanig dat een optimale vrije afstroming van water, ijs en sediment wordt gegarandeerd. Naar verwachting zal de piekafvoer van water in volume toenemen. Dit betekent dat het bergend vermogen en de afvoercapaciteit niet mogen worden belemmerd, eerder moeten worden vergroot. In de uiterwaarden worden slechts riviergebonden functies toegestaan, waarbij natuur als een riviergebonden functie wordt beschouwd. Ieder initiatief tot functieverandering door hergebruik van bestaande bebouwing (bijvoorbeeld steenfabrieken), al dan niet op hoogwatervrije terreinen, zal op de algemene uitgangspunten voor hergebruik en op riviergebondenheid worden beoordeeld. Hierbij zijn voorts het stand still/step forward-principe ten aanzien van de afvoercapaciteit en de compensatiemogelijkheden van belang.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

2.4.4. De Afdeling stelt vast dat het plan voorziet in een wijziging van bestaande activiteiten doordat het 20 woningen in de plaats van 3 woningen met een meubelzaak mogelijk maakt. Zoals ter zitting door verweerder en van de zijde van Rijkswaterstaat is gesteld, vormen deze 20 woningen een kapitaalsintensievere invulling van de percelen Rijnbandijk 16 en 18 dan de huidige bebouwing. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verwezenlijking van het plan in ieder geval leidt tot een grotere feitelijke, voornamelijk financiële, belemmering voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit. Voorts stelt de Afdeling vast dat de bouw van woningen niet onlosmakelijk verbonden is aan het winterbed van de rivier. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de bouw van twee appartementencomplexen terecht heeft aangemerkt als “nee, tenzij”-activiteit in de zin van de Beleidslijn.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de door appellanten gestelde belangen bij de verwezenlijking van het plan, te weten sanering van de huidige bebouwing, bevordering van de verkeersveiligheid ter plaatse en verplaatsing van het bedrijf van [appellant sub 2], niet kunnen worden aangemerkt als een zwaarwegend maatschappelijk belang in de zin van de Beleidslijn. Dit brengt mee dat het waterstaatkundige veiligheidsbelang niet behoeft te wijken voor deze belangen.

Het betoog van appellanten dat het bouwplan ervan uitgaat dat de appartementencomplexen op palen worden gebouwd en de bestaande ophogingen gedeeltelijk worden afgegraven, zodat per saldo meer ruimte voor de rivier ontstaat, kan hun niet baten. Ook bebouwing op palen vormt ten opzichte van de huidige toestand een kapitaalsintensievere invulling van de betrokken percelen die, zoals de Afdeling reeds hiervoor overwoog, in ieder geval een grotere feitelijke belemmering voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit meebrengt.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre in strijd is met de Beleidslijn en het streekplan.

2.4.5. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden EG (s)” ter plaatse van de percelen Rijnbandijk 16 en 18 in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan deze plandelen.

Het beroep van het college is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is geheel ongegrond.

2.5. Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding “b” (bromfietshandel) ter plaatse van het perceel [locatie] en aan de zinsnede ““b” bromfietshandel” in artikel 9, eerste lid, onder b, van de voorschriften van het plan. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat de vestiging van een bedrijfsmatige activiteit als een bromfietshandel in strijd is met het in de beschrijving in hoofdlijnen geformuleerde beleid inzake het ontmoedigingsgebied. Voorts acht verweerder een toeneming van de verkeersbewegingen ter hoogte van [locatie] ongewenst vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Hij wijst bovendien op de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” die als indicatieve afstand tussen woningen en bromfietshandels een afstand van 10 meter aangeeft. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad niet gemotiveerd waarom in dit geval met een kleinere afstand ten opzichte van de naastgelegen woningen kan worden volstaan.

2.5.1. Het college kan zich met deze onthouding van goedkeuring niet verenigen. Appellant betoogt dat de bromfietshandel als nevenfunctie bij de bestemming “Woondoeleinden – E” mogelijk moet zijn. Het college wijst erop dat de bedrijfsactiviteiten beperkt zijn. Appellant stelt voorts dat de verkeersaantrekkende werking van de bromfietshandel gering is omdat de bedrijvigheid voor het grootste deel betrekking heeft op groothandelsactiviteiten, en de detailhandel en reparatiewerkzaamheden daaraan ondergeschikt zijn. Het college betwist dat sprake is van een milieuhygiënisch ongunstige situatie. Volgens hem voldoet het bedrijf aan het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer en kan door het stellen van nadere eisen geluidhinder voor de omgeving worden voorkomen. Gelet hierop kan volgens appellant worden volstaan met een afstand van 7 meter ten opzichte van de naastgelegen woningen.

2.5.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de voorschriften van het plan, voorzover hier van belang, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor “woningbouw” bestemd voor bedrijvigheid naast de woonfunctie, daar waar dit op de plankaart is aangegeven met de aanduiding “b” (bromfietshandel), met dien verstande dat de vloeroppervlakte van deze bedrijvigheid niet meer mag bedragen dan 50 m² dan wel zoveel meer als aanwezig is ten tijde van het van kracht worden van het plan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, ten eerste, onder b, van de voorschriften wordt als doelstelling van het plan ten aanzien van het centrumgebied aangemerkt het realiseren van een centrumgebied met publieks- en dienstverlenende voorzieningen.

In artikel 7, vierde lid, ten eerste, van de voorschriften is bepaald dat ter uitwerking van deze doelstelling een winkelconcentratiebeleid wordt gevoerd. Dit beleid maakt onderscheid in drie deelgebieden, die zijn aangegeven op de kaart “deelgebieden winkelstructuur”.

Een van deze deelgebieden is het ontmoedigingsgebied. Voor de winkels die in dit gebied zijn gevestigd, wordt op grond van artikel 7, vierde lid, ten eerste, onder c, van de voorschriften gestreefd naar verplaatsing naar het concentratiegebied. De mogelijkheid hiertoe wordt geboden door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten bestaat de bevoegdheid om de bestemming te wijzigen naar woningbouw. Het beleid is erop gericht ook daadwerkelijk van deze bevoegdheid gebruik te maken als de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt.

2.5.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat voor de aan de [locatie] gevestigde bromfietshandel een maximum vloeroppervlakte geldt die overeenkomt met de oppervlakte van de schuur achter de woning. Deze oppervlakte bedraagt ongeveer 250 m².

Niet in geding is dat het perceel [locatie] ligt binnen het ontmoedigingsgebied als bedoeld in artikel 7, vierde lid, ten eerste, onder c, van de voorschriften.

2.5.4. De Afdeling overweegt dat het plan, gelezen artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de voorschriften, niet uitsluitend een juridisch-planologische grondslag biedt aan de huidige groothandel in bromfietsen met daaraan ondergeschikt enige detailhandel en reparatie. Aangezien de planvoorschriften geen beperkingen bevatten aangaande de aard van de bromfietshandel, maakt het plan ook een bedrijf met hoofdzakelijk detailhandel en/of reparatiewerkzaamheden mogelijk. Het plan maakt derhalve een aanmerkelijke intensivering van de bedrijfsactiviteiten en dientengevolge een grotere toeneming van de verkeersbewegingen mogelijk dan de gemeenteraad heeft beoogd.

Gelet hierop en in aanmerking genomen de ligging van het bedrijf in het ontmoedigingsgebied van het winkelconcentratiebeleid is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft de aanduiding “b” (bromfietshandel) ter plaatse van het perceel [locatie] en de zinsnede ““b” bromfietshandel” in artikel 9, eerste lid, onder b, van de voorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5.5. In hetgeen het college heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding “b” (bromfietshandel) ter plaatse van het perceel [locatie] en aan de zinsnede ““b” bromfietshandel” in artikel 9, eerste lid, onder b, van de voorschriften van het plan.

Het beroep van het college is in zoverre ongegrond.

2.6. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het bestreden besluit voorzover verweerder daarbij de plandelen met de bestemming “Centrumdoeleinden” ter plaatse van de percelen [locaties] heeft goedgekeurd. Hij betoogt allereerst dat het plan ten onrechte niet in overleg met de omwonenden is voorbereid. Appellant stelt voorts dat het plan door de toegestane bouwhoogte en het toegestane bouwpercentage onevenredig nadeel met betrekking tot het uitzicht, de toetreding van licht, het woongenot en de privacy mogelijk maakt. Daarnaast stelt hij dat de bestemming “Centrumdoeleinden” leidt tot een te hoge verkeersintensiteit en parkeerdruk.

2.6.1. De gemeenteraad heeft met de bestemming “Centrumdoeleinden” beoogd de vestiging van centrumfuncties mogelijk te maken. De raad acht een ruime bestemmingsomschrijving van belang voor het behoud van die functies voor het dorp Opheusden en daarmee voor de leefbaarheid van het dorp.

Teneinde te voorkomen dat door deze flexibele bestemmingsregeling ongewenste situaties zouden ontstaan, heeft de gemeenteraad voorzien in de bepaling dat ter hoogte van een woonbestemming bebouwing op minimaal 2,5 meter uit de erfgrens gebouwd moet worden. Voor plandelen met de bestemming “Centrumdoeleinden” ter hoogte van de woning van [appellant sub 3] voorziet het plan in dezelfde bouw- en goothoogten die ook gelden voor de plandelen met de bestemming “Woondoeleinden”.

De gemeenteraad verwacht dat de verkeersintensiteit in de Middenweg slechts gering zal toenemen, omdat binnen de bestemming “Centrumdoeleinden” het bestaande winkeloppervlak slechts beperkt mag toenemen.

2.6.2. Verweerder heeft in de bedenkingen van appellant geen aanleiding gezien de desbetreffende plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

2.6.3. Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder b en e, van de voorschriften van het plan, voorzover hier van belang, zijn de op de plankaart voor “Centrumdoeleinden” aangewezen gronden onder meer bestemd voor (boven)woningen, en zakelijke en maatschappelijke dienstverlening.

In artikel 8, tweede lid, van de voorschriften is de bebouwingsregeling neergelegd. Voorzover hier van belang houdt deze bebouwingsregeling het volgende in. De goothoogte en hoogte van hoofdgebouwen mogen maximaal 6,5 respectievelijk 9 meter bedragen. Voor de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen geldt een maximum van 60 m² per bouwperceel. De goothoogte en hoogte van bijgebouwen mogen maximaal 3 meter respectievelijk 5 meter bedragen.

2.6.4. Ten aanzien van de beroepsgrond die betrekking heeft op de procedure overweegt de Afdeling dat zij, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, geen grond ziet voor de opvatting dat aan de totstandkoming van het plan geen zorgvuldige voorbereiding is voorafgegaan. De Wet op de Ruimtelijke Ordening noch enige andere wettelijke regeling biedt een grondslag voor de door appellant gestelde eis dat bestemmingsplannen in overleg met omwonenden worden voorbereid.

2.6.5. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder uitsluitend beoordeeld of de beperking van de lichttoetreding als gevolg van de huidige bebouwing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de maximum toegestane bouwhoogten en het bebouwingspercentage maakt het plan echter in vergelijking met die huidige bebouwing naast en tegenover de woning van appellant een omvangrijkere bebouwing mogelijk. Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat verweerder deze mogelijkheden die het plan biedt, gezien in verhouding tot de door appellant gestelde afneming van het woongenot, waaronder mede begrepen het verlies aan uitzicht, de verminderde toetreding van licht, de aantasting van privacy, de toeneming van de parkeerdruk en verkeersintensiteiten, bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig heeft voorbereid.

2.6.6. Wat betreft de bezwaren van appellant die betrekking hebben op de uitbreiding van het kantoorpand op het naastgelegen perceel aan de Burgemeester Lodderstraat 15-17, welke uitbreiding inmiddels is gerealiseerd, alsmede de bezwaren die de toepassing van artikel 19 (oud) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor dit bouwplan betreffen, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren te dezen niet in de beschouwingen kunnen worden betrokken. Immers in het kader van de procedure die hier aan de orde is, staat uitsluitend het besluit van verweerder omtrent de goedkeuring van het plan ter beoordeling.

2.6.7. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 3] gegrond is. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd voorzover het de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Centrumdoeleinden” ter plaatse van de percelen [locaties] betreft.

2.7. Ten aanzien van het college en [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] geheel en het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Kesteren gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 4 juni 2002, kenmerk RE2001.112154, voorzover het betreft:

- de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” ter plaatse van het perceel Kastanjelaan 23 (kadastraal bekend sectie B, no. 1453), en

- de goedkeuring van de plandelen met de bestemming “Centrumdoeleinden” ter plaatse van de percelen Burgemeester Lodderstraat 13 en 15-17;

III. verleent goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” ter plaatse van het perceel Kastanjelaan 23 (kadastraal bekend sectie B, no. 1453);

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover daarbij de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden” ter plaatse van het perceel Kastanjelaan 23 (kadastraal bekend sectie B, no. 1453) is vernietigd;

V. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Kesteren voor het overige en het beroep van [appellant sub 2] Wonen en Slapen geheel ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan het college van burgemeester en wethouders van Kesteren en [appellant sub 3] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor het college van burgemeester en wethouders van Kesteren en € 109,00 voor [appellant sub 3]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en drs. G.A. Posthumus en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2003

177-400.