Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2003
Datum publicatie
22-04-2003
Zaaknummer
200301618/1 en 200301618/2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 348 met annotatie van I. Sewandono
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200301618/1 en 200301618/2.

Datum uitspraak: 25 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 maart 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 maart 2003, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brief is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2.2. Het betoog van appellant dat artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 onjuist is toegepast, heeft hij niet als zodanig in beroep bij de voorzieningenrechter naar voren gebracht. Dat dat voor het eerst in hoger beroep gebeurt, verdraagt zich niet met het bepaalde in voormeld artikel 85 van de Vw 2000. Uit deze bepaling volgt dat de grieven in hoger beroep moeten blijven binnen de beoordeling van het bestreden besluit die de rechtbank, gelet op de daartegen voor haar aangevoerde gronden en de door haar te verrichten ambtshalve toetsing, behoorde te geven. Nu hetgeen is aangevoerd daaraan niet voldoet, is geen sprake van een grief, als in deze bepaling bedoeld. Het aldus aangevoerde kan daarom niet leiden tot gegrondbevinding van het hoger beroep.

2.3. Voorzover appellant aanvoert dat de voorzieningenrechter ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de passages in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van 19 augustus 2002 waarop hij heeft gewezen, wordt overwogen dat de op de voorzieningenrechter rustende motiveringsplicht niet zover strekt, dat hij gehouden is al hetgeen door appellant is aangevoerd afzonderlijk in de uitspraak op te nemen en te bespreken. Gelet op het dossier en hetgeen ter zitting in eerste aanleg is aangevoerd, moet worden aangenomen dat de voorzieningenrechter alle aangevoerde feiten en omstandigheden kende en heeft meegewogen. Dit heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gegeven om tot een ander dan het uitgesproken oordeel te komen.

2.4. In zijn laatste grief heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu de voorzieningenrechter de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2003 in zaak nr. 200206105/1 bij zijn beoordeling heeft betrokken terwijl de Afdeling, volgens appellant, geen onafhankelijke rechterlijke instantie is in de zin van het EVRM.

2.4.1. Nu de onderhavige procedure de beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning betreft, kan het betoog dat artikel 6 EVRM is geschonden reeds niet slagen, omdat geen sprake is van een civil right in de zin van die verdragsbepaling. Procedures die betrekking hebben op de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen vallen buiten het bereik van die bepaling.

Nu het betoog dat artikel 6 EVRM is geschonden niet kan slagen, kan het betoog dat artikel 13 EVRM is geschonden dat evenmin.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Soest-Ahlers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2003

343.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,