Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7377

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
200205067/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205067/1.

Datum uitspraak: 16 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Kern Noordhoek".

Verweerder heeft bij besluit van 24 juli 2002, nummer 813818, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2002.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. P.J.A.G. van Veldhoven, gemachtigde, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. B.C. Coolen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar [partij] als partij gehoord. Het gemeentebestuur heeft bericht niet op de zitting vertegenwoordigd te zullen zijn.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor de kern Noordhoek. Verweerder heeft deels goedkeuring aan het plan onthouden.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Verweerder heeft, voorzover van belang, goedkeuring onthouden aan het perceel Noordhoek 4 waaraan de bestemming “Bedrijven” is toegekend. Hij stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheden die met deze bestemming worden gecreëerd in strijd zijn met de in het streekplan “Brabant in Balans”, van februari 2002 (verder: het streekplan) opgenomen voorwaarde voor bedrijfsvestiging op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties.

2.4. De gemeenteraad heeft aan de in het geding zijnde gronden de bestemming “Bedrijven” toegekend, aangezien op deze gronden voorheen een champignonkwekerij was gevestigd welke in aanmerking komt voor de regeling die is opgenomen in de gemeentelijke nota “Champignonkwekerijen, wat kan en wat wil men ermee” van 2000.

2.5. Appellant, die eigenaar en bewoner is van het perceel aan de Noordhoek 4, stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemd plandeel. Hij betoogt dat de bedrijfsgebouwen met een agrarische bestemming niet meer verhuurbaar zijn, hetgeen leidt tot leegstand en vermindering van inkomsten.

2.6. De Afdeling oordeelt als volgt.

Uitgangspunt van het streekplanbeleid is dat in principe in voormalige agrarische bedrijfslocaties opvang plaats dient te vinden van te verplaatsen agrarische bedrijven, tenzij de agrarische bestemming niet kan worden gehandhaafd omdat de betreffende locaties ongeschikt zijn voor blijvend agrarisch gebruik. De Afdeling acht dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk. Onder voorwaarden kunnen vrijkomende agrarische bedrijfslocaties waarvan de agrarische bestemming niet kan worden gehandhaafd, worden gebruikt voor andere functies, waaronder de vestiging van bedrijven. Een van de voorwaarden is dat de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen maximaal 400 m2 is. Ook dit uitzonderingsbeleid acht de Afdeling niet onredelijk.

Niet in geding is dat op de desbetreffende gronden de agrarische bestemming niet langer kon worden gehandhaafd. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder het plan terecht aan - onder meer - de bovengenoemde voorwaarde heeft getoetst.

Aan het desbetreffende perceel is de bestemming “Bedrijven” toegekend. Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder 2, van de planvoorschriften is het mogelijk om op gronden met de bestemming “Bedrijven”, bedrijfsgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 1000 m2 te bouwen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat het plan in zoverre in strijd is met het genoemde beleid.

Voorzover appellant zich op het standpunt stelt dat in dit geval had moeten worden afgeweken van het voornoemde beleid, is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder aanleiding had moeten zien voor een dergelijke afwijking. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2003

234-411.