Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
200206081/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 134 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Ruimtelijke ordening 2003/1313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206081/1.

Datum uitspraak: 16 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 1 oktober 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (hierna: het college) aan [vergunninghouder] krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), vrijstelling en vervolgens bouwvergunning verleend ten behoeve van de bouw van een kantoor op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 april 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2002, verzonden op 7 oktober 2002, heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 februari 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2003, waar een aantal appellanten in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een vrijstaand kantoorgebouw (hierna: het vergunde gebouw) met een oppervlakte van 46 m2 achter de op het perceel aanwezige woning (hierna: de woning). Op het perceel is een vrijstaande garage met een oppervlakte van 29 m2 aanwezig. Het aantal woningen blijft gelijk. Appellanten wonen allen in de nabijheid van het perceel.

2.2. Op het perceelsgedeelte, waarop het vergunde gebouw is voorzien, rust ingevolge het bestemmingsplan “Maliskamp” de bestemming “Dubbele eengezinshuizen, klasse B1 met bijbehorende erven”.

Ingevolge artikel 8.A.a, aanhef en lid III, sub b.1, van de bij dit plan behorende voorschriften mogen de als zodanig bestemde gronden uitsluitend worden bebouwd met eengezinshuizen, twee aaneengebouwd, daarbij behorende aanbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat, voor zover thans van belang, bij elk eengezinshuis niet meer dan één vrijstaand bijgebouw mag worden bebouwd, waarvan de oppervlakte niet meer dan 35 m2 mag bedragen.

2.2.1. Niet in geschil is dat het vergunde gebouw op twee punten in strijd is met dit voorschrift: zowel de maximale oppervlaktemaat, als het maximaal toegestane aantal vrijstaande bijgebouwen, wordt overschreden.

2.3. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro), kunnen burgemeester en wethouders, voor zover thans van belang, vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen voor een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college die bepalingen onjuist heeft toegepast, nu het niet gaat om een bijgebouw dat in bouwkundig en functioneel opzicht ondergeschikt is aan de woning. Ook heeft de rechtbank volgens appellanten miskend dat het college de “Erfbebouwingsregeling” (hierna: de Regeling) ten onrechte als beleidskader voor de toepassing van voormelde bepaling van de WRO heeft toegepast.

2.5. Dit betoog slaagt. Bij gebreke van een definitie van de term bijgebouw in het Bro, de WRO en de Woningwet, moet onder een bijgebouw worden verstaan een gebouw dat, zowel in architectonische, als in functionele zin, ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw. Het bouwplan voorziet in een kantoor ten behoeve van de uitoefening door vergunninghouder van het beroep van toxicoloog en bedrijfsadviseur. Het op te richten gebouw bestaat uit één bouwlaag, die is opgedeeld in onder meer twee verblijfsruimtes met de bestemmingen “werkkamer” en “keukennis”, een verkeersruimte met de bestemming “hal/entree” en een toiletruimte.

Gelet op het beoogde gebruik van het vergunde gebouw uitsluitend als kantoor, kan niet worden geoordeeld dat het gebouw in functionele zin ondergeschikt is aan de woning. Het betoog van appellanten dat de activiteiten, ten behoeve waarvan het vergunde gebouw wordt opgericht, in het hoofdgebouw mogen worden uitgeoefend en daarom ook in het vergunde gebouw, treft, wat daar overigens van zij, geen doel, nu functionele ondergeschiktheid aan de woonfunctie van het hoofdgebouw vereist is en daaraan niet is voldaan.

Het vergunde gebouw kan dan ook niet als bijgebouw in de zin van artikel 20 van het Bro worden aangemerkt. Dat in de Regeling, die ter plaatse niet als bestemmingsplan geldt, maar wordt gehanteerd als beleidskader voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, anders is bepaald doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af. De Regeling kan er niet toe leiden dat in gevallen die niet zijn voorzien in artikel 20 van het Bro vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO kan worden verleend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspaak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellanten ingestelde beroep bij de rechtbank gegrond verklaren, het besluit van 24 april 2002 vernietigen en burgemeester en wethouders opdragen om opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen, thans met in achtneming van hetgeen de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen.

2.7. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch van 1 oktober 2002 in de zaak reg.no. AWB 02/1027;

III. verklaart het door appellanten bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 24 april 2002, kenmerk SO/JUR 10174 / bb 10163;

V. veroordeelt burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 152,87; het dient door de gemeente ’s-Hertogenbosch aan appellanten te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente ’s-Hertogenbosch aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 531,20 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2003

224.