Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7368

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
200206455/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206455/1.

Datum uitspraak: 16 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem van 21 november 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2001 is appellante, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast de rozenboog en de afvalcontainer met ombouw, die zijn geplaatst op het trottoir - behorende tot de openbare weg - vóór appellantes woning [locatie], te verwijderen.

Bij besluit van 20 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2002, verzonden op 25 november 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 6 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 februari 2003 heeft het college van memorie gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar appellante in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Braeken, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat appellante de rozenboog en de afvalcontainer heeft geplaatst zonder te beschikken over de daartoe ingevolge de Algemene Plaatselijke verordening van de gemeente Haarlem vereiste vergunning van het college. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden tot verwijdering van deze objecten ten einde de openbare toegankelijkheid van het trottoir voor het voetgangersverkeer te waarborgen.

2.2. Hetgeen appellante in hoger beroep betoogt, is een herhaling van hetgeen bij de voorzieningenrechter is aangevoerd. De Afdeling ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen.

2.3. Hetgeen appellante in het hoger beroepschrift aanvoert omtrent haar bereidheid alsnog vergunning te vragen kan aan het vorenstaande niet afdoen, aangezien het, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft geconstateerd, gelet op het beleid van het college dat erop gericht is belemmering van de openbare weg, waaronder de trottoirs, te voorkomen, niet in de rede ligt dat een vergunning indien gevraagd, zou worden verleend.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2003

221.