Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
200205792/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 188 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Bouwregelgeving 2003/749
Module Vastgoed en wonen 2003/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205792/1.

Datum uitspraak: 16 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te

's-Gravenhage van 24 september 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders te Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders te Rijswijk aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning [locatie] te Rijswijk (hierna: het perceel), door middel van een dakopbouw.

Bij besluit van 18 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders te Den Haag (hierna: het college) als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 31 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 november 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 december 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend. Bij brief van 5 december 2002 heeft [vergunninghouder] een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mevrouw [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door E.R.J. Herklots, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Daar is ook [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Woongebied (WG)”.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de gronden die op de kaart als zodanig zijn aangewezen bestemd voor het wonen met bijbehorende erven en tuinen.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd hoofdgebouwen, bijgebouwen en aan- en uitbouwen.

Ingevolge artikel 1, zevende lid, van de planvoorschriften is een hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1, negende lid, van de planvoorschriften is een aan- of uitbouw een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw of deel van een gebouw dat door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt.

Ingevolge artikel 13, vijfde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het college – onder nader gegeven voorwaarden - bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en de goot- en boeibordhoogte van uitbouwen en bijgebouwen, indien de afstand tot de perceelsgrens over een lengte van meer dan 2.50 m minder dan 1.00 m bedraagt, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodig nadelige veranderingen teweeg brengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en/of de licht- en luchttoetreding van de aangrenzende bebouwing.

2.2. De Afdeling volgt appellanten niet in hun betoog dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan voorziet in een uitbouw. Naar het oordeel van de Afdeling is geen sprake van een aan- of uitbouw in de zin van artikel 1, negende lid, van de planvoorschriften en heeft de rechtbank terecht en overtuigend gemotiveerd geoordeeld dat het bouwplan voorziet in een uitbreiding van het hoofdgebouw in de zin van artikel 1, zevende lid, van de planvoorschriften. Anders dan appellanten stellen zijn derhalve de in artikel 13, derde lid, van de planvoorschriften opgenomen bepalingen met betrekking tot een aan- of uitbouw in dit geval niet van toepassing en is het college niet bevoegd tot het stellen van nadere eisen op grond van artikel 13, vijfde lid, van de planvoorschriften.

2.3. Appellanten betogen voorts dat het welstandsadvies niet zorgvuldig tot stand is gekomen omdat de architect die het bouwplan heeft opgesteld deel zou uitmaken van de welstandscommissie. Appellanten betogen verder dat met twee maten wordt gemeten. Ter adstructie hebben zij een aantal welstandsadviezen overgelegd die betrekking hebben op uitbreidingen van woningen in het zelfde plangebied, waarin – anders dan in dit geval - steeds is opgenomen dat het bouwplan dient te passen in de standaard uitbreidingsopties. Dit betoog faalt eveneens. Ter zitting is gebleken dat de architect die het bouwplan heeft opgesteld weliswaar deel uitmaakt van de welstandscommissie maar, juist omdat hij de ontwerper van het bouwplan is, bij de totstandkoming van het advies niet betrokken is geweest. Voorts is ter zitting gebleken dat er, anders dan in de door appellant aangevoerde gevallen, voor het pand geen standaard uitbreidingsoptie bestaat zodat de welstandscommissie het bouwplan daaraan niet heeft kunnen relateren. De welstandscommissie heeft terecht het bouwplan op zijn eigen merites beoordeeld. De Afdeling is derhalve met de voorzieningenrechter van oordeel dat de inhoud noch de wijze van totstandkoming van het advies van de welstandscommissie als onzorgvuldig kan worden aangemerkt en dat niet gesteld kan worden dat het college dit advies niet aan het besluit tot verlening van de bouwvergunning ten grondslag mocht leggen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2003

47-398.