Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
200202346/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202346/2.

Datum uitspraak: 16 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant] en anderen verenigd in de belangengroep "Planetenveld"en Omstreken, wonend te [woonplaats],

2. [appellant], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2002, kenmerk MV O1/27, heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een interieur- en meubelspuiterij, gelegen op het perceel [locatie], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 19 maart 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 29 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2002, en appellant sub 2 bij brief van 27 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2002, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar appellanten sub 1 in de personen van [naam], [naam] en [naam], bijgestaan door [gemachtigde], werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Zutphen, en appellant sub 2 in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door W.R. Mastenbroek, adviseur DHV Milieu en Infrastructuur, en E.J. Hoeneveld, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door

mr. R.G. Meester, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende oprichtingsvergunning heeft betrekking op een inrichting voor het verven en lakken van meubel- en interieurdelen, die door derden worden aangevoerd. Eerst zullen de meubel- en interieurdelen in de werkplaats worden geschuurd, waarna het verven en lakken plaats zal vinden in de spuitruimte. De tijdens het spuiten vrijkomende dampen zullen door middel van een spuitwand worden afgezogen en via een actief koolstoffilter naar de buitenlucht worden afgevoerd. De gevaarlijke stoffen zullen worden opgeslagen in een kluis.

Het op te richten bedrijf zal zijn gelegen op het bedrijventerrein “Planetenveld”. Op dit bedrijventerrein dat niet is gezoneerd ingevolge de Wet geluidhinder bevinden zich naast bedrijven ook bedrijfswoningen. Op ongeveer 110 meter van het nieuwe bedrijf is de aaneengesloten woonbebouwing aan de [locaties] gelegen.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten sub 1 voeren aan dat de geluidbelasting van de inrichting ten onrechte is genormeerd aan woningen van derden die buiten het bedrijventerrein zijn gelegen. Hierdoor genieten de woningen op het bedrijventerrein minder bescherming, hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan, zoals dat geldt voor de [locatie].

2.3.1. In de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.1 tot en met 2.4 zijn de voor de inrichting geldende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus opgenomen.

Verweerder maakt in die voorschriften een onderscheid in woningen van derden die op het bedrijventerrein “Planetenveld” liggen – waarvoor hogere geluidgrenswaarden gelden - en woningen van derden die zich buiten het bedrijventerrein bevinden. Verweerder heeft zich bij het vaststellen van deze voorschriften gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998.

Ter zitting is vanwege verweerder toegegeven dat de in de voorschriften neergelegde geluidgrenswaarden bij nader inzien ontoereikend zijn om geluidhinder tegen te gaan. Hieruit volgt, naar het oordeel van de Afdeling, dat het besluit wat de voorschriften 2.1, 2.2, 2.3 en 2.4 betreft niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat het in zoverre vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

2.4. Appellanten sub 1 stellen dat aan de vergunning ten onrechte een voorschrift ontbreekt waarin een zogenoemde 12-dagen regeling is opgenomen, die eventuele vervoersbewegingen in de avonduren mogelijk maakt. Thans is sprake van een verkapte weigering, omdat vervoersbewegingen in de avondperiode zijn uitgesloten.

De Afdeling merkt op dat in de aanvraag om een milieuvergunning geen bijzondere bedrijfssituaties zijn aangevraagd. De gebruikelijke activiteiten, waaronder de vervoersbewegingen, zullen in de dagperiode plaatsvinden. Daarnaast zal door vergunninghouder gedurende de avondperiode worden gewerkt. Deze werkzaamheden zullen met name bestaan uit het bijhouden van de administratie en het verrichten van voorbereidende schuurwerkzaamheden. Gelet hierop, bestond er voor verweerder geen aanleiding om een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden en is evenmin sprake van een verkapte weigering. Deze beroepsgrond kan mitsdien geen doel treffen.

2.5. Appellanten sub 1 vrezen geurhinder van de onderhavige inrichting te zullen ondervinden.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften onder hoofdstuk 7 zijn eisen gesteld ten aanzien van het aspect geur. Zo zijn in de voorschriften 7.1 en 7.2 geurimmissienormen opgenomen ten aanzien van bedrijfswoningen gelegen op het bedrijventerrein “Planetenveld” en woningen gelegen buiten dit bedrijventerrein. Uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij het vaststellen van de voorschriften 7.1 en 7.2 aansluiting heeft gezocht bij de hoofdstukken 3.6 en 4.4 van de Nederlandse Emissie Richtlijn (verder: NER). Verder heeft hij zich gebaseerd op de van de aanvraag deel uitmakende geurrapporten van “Project Research Amsterdam BV” (verder: PRA) van juni 1999, kenmerk GEZE99A1, en van februari 2001, kenmerk IMSZO1A.

De Afdeling overweegt op grond van het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening het volgende. Bij het geuronderzoek is gebruik gemaakt van het LTFD model. Dit model is, zoals door appellanten sub 1 aangevoerd, onnauwkeurig voor afstanden kleiner dan 100 meter, maar op het moment dat de potentiële geurhinder werd onderzocht was geen nauwkeuriger model beschikbaar. Uit het geurrapport blijkt dat PRA er van uit is gegaan dat alle geur via de pijp op het dak wordt afgevoerd. Dit is een onjuist uitgangspunt, aangezien bij een spuitwand ca. 93 % van de dampen centraal wordt afgezogen en 7 % van de dampen zich diffuus in de werkplaats/spuitruimte zal verspreiden. Verder gaat PRA in het rapport uit van een te hoge geurconcentratie in de afgezogen afgassen van de spuitwand nu het debiet van de afzuiginstallatie in de nieuw te realiseren inrichting met 50 % toeneemt. De totale emissie van geur zal niet toenemen bij een toename van het debiet van de afzuiginstallatie. Dit betekent dat PRA de geuremissie met 50 % heeft overschat. Dit compenseert het niet meenemen van de diffuse emissie bij de berekeningen, zodat de conclusie van het rapport ten aanzien van de verspreiding van geur ter plaatse van de woningen van derden op het bedrijventerrein overeind blijft.

In de voorschriften 7.1 en 7.2 is bepaald dat de uurgemiddelde geurimmissieconcentratie ten gevolge van de inrichting bij de bedrijfswoningen gelegen op het bedrijventerrein “Planetenveld” dan wel bij woningen gelegen buiten het bedrijventerrein gedurende een periode van ten minste 98 % van het kalenderjaar niet meer mag bedragen dan 1.9 ge/m3 respectievelijk 1 ge/m3. De geurbelasting wordt dus over het gehele jaar berekend, zodat verweerders hebben kunnen afzien van het stellen van een aparte geurnorm voor de avondperiode.

Uit het vorenstaande volgt, naar het oordeel van de Afdeling, dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.1 en 7.2 voldoende bescherming bieden ter voorkoming van geurhinder. Deze beroepsgrond treft mitsdien geen doel.

2.6. Appellanten sub 1 voeren aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat alle oplosmiddelen door het koolstoffilter uit de afgassen worden verwijderd.

In voorschrift 9.3 is bepaald dat de tijdens het spuiten vrijkomende overtollige spuitnevel alsmede de tijdens het drogen ontwijkende dampen, zonder zich in de spuit- en droogruimte te kunnen verspreiden, moeten worden afgezogen door middel van de in de aanvraag vermelde afzuigwand met actief koolstoffilter en vervolgens moeten worden afgevoerd via een uitsluitend voor dit doel bestemde leiding. Ook houdt voorschrift 9.4 eisen in met betrekking tot het filtermateriaal.

Blijkens de considerans van het bestreden besluit gaat verweerder - anders dan appellanten sub 1 stellen - er niet van uit dat alle oplosmiddelen door het koolstoffilter uit de afgassen worden verwijderd. Volgens verweerder dient de effectiviteit van het koolstoffilter gewaarborgd te worden door het gestelde in voorschrift 9.4. Ter zitting is vanwege verweerder toegegeven dat voorschrift 9.4, zoals het thans luidt, ten onrechte slechts betrekking heeft op het in de spuitwand aanwezige filter dat dient om de verfdeeltjes af te vangen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wat voorschrift 9.4 betreft niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zodat het in zoverre vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt.

2.7. Appellanten sub 1 voeren aan dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende bescherming bieden met betrekking tot luchtverontreiniging door de uitstoot van vluchtige organische stoffen (verder: VOS). In dat verband wijzen appellanten op het ontbreken van voorschriften aan de toepassing in de inrichting van het giftige en kankerverwekkende middel di-octyl-ftalaat.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften 7.5 tot en met 7.9 zijn eisen opgenomen ter zake van de beperking van VOS-emissies, onder meer door het opstellen van een reductieplan om de VOS-emissies met ten minste 25% te verminderen. Uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij het opstellen van deze voorschriften aansluiting heeft gezocht bij hoofdstuk 3.4 van de NER.

Het middel di-octyl-ftalaat komt, volgens verweerder, niet in verven of lakken voor, maar wordt gebruikt als smeermiddel voor de zuigerstang van de air-mix pomp. Dit middel komt geleidelijk in de te spuiten verf, omdat de zuigerstang iets lekkend is afgesteld, zodat een soepelere beweging wordt verkregen. Er wordt jaarlijks slechts 150 ml van de betreffende stof verbruikt.

Verweerder heeft door het plan van aanpak zoals neergelegd in de voorschriften 7.5 tot en met 7.7 een reductieregime voorgeschreven overeenkomstig de systematiek van de NER (paragraaf 3.4.24 Toepassing van verf: Hout- en meubelindustrie). Verder is het gebruik van di-octyl-ftalaat volgens de aanvraag 100-150 ml op jaarbasis, welk verbruik ver onder de in de NER genoemde grensmassastroom van 2,0 kg per uur ligt. Het stellen van emissie-eisen dan wel emissiebeperkende voorzieningen is volgens de systematiek van de NER dan ook niet vereist, zodat verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling ondanks het ontbreken van voorschriften ter zake van het gebruik van di-octyl-ftalaat in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning voldoende waarborg tegen luchtverontreiniging biedt. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.8. Appellanten sub 1 zijn van mening dat verweerder ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden met betrekking tot het terugdringen van het energiegebruik binnen de inrichting

In de aan de vergunning verbonden voorschriften onder hoofdstuk 14 zijn eisen gesteld ten aanzien van de energiebesparing. Zo is in voorschrift 14.1 bepaald dat het energiegebruik jaarlijks moet worden geregistreerd en is in voorschrift 14.2 voorgeschreven dat vergunninghouder een technisch en economisch onderzoek naar de haalbaarheid van energiebesparing moet uitvoeren indien het energiegebruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas bedraagt. In voorschrift 14.3 is het gebruik van energiezuinige verlichting voorgeschreven.

De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende voorwaarden stellen aan het energieverbruik binnen de inrichting. De beroepsgrond treft mitsdien geen doel.

2.9. Volgens appellanten sub 1 heeft verweerder ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning verbonden ter zake van het vrijkomen van houtmot en afvalschuurpapier.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften onder hoofdstuk 4 zijn eisen gesteld met betrekking tot afvalstoffen. Zo is in voorschrift 4.4 bepaald dat het in de inrichting vrijkomende vaste bedrijfsafval moet worden bewaard in doelmatige, goed afgesloten, afvalcontainers en dat indien de aard van de afvalstoffen daartoe aanleiding geeft (papier, karton, hout e.d.) de container moet zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. In voorschrift 4.7 is voorgeschreven dat de in de inrichting vrijkomende afvalstoffen zoveel mogelijk naar soort moeten worden gescheiden. Verder zijn in hoofdstuk 8 van de aan de vergunning verbonden voorschriften eisen opgenomen ter zake van de verspreiding van stof bij het schuren van meubelen.

De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden terzake van het vrijkomen van houtmot en afvalschuurpapier. Deze beroepsgrond treft mitsdien geen doel.

2.10. Appellanten sub 1 stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende bescherming bieden ter zake van de opslag van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het appellanten met name om de opslag van (te) grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen als werkvoorraad. Daarnaast zijn appellanten van mening dat er een veiligheidsplan moet worden opgesteld.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften onder hoofdstuk 9 zijn eisen gesteld ten aanzien van de verfspuitwerkzaamheden. In hoofdstuk 10 van deze voorschriften zijn eisen opgenomen ten aanzien van de opslag van gevaarlijke stoffen in emballage. Met name de voorschriften 9.10 en 10.5 zien op de omvang van de opslag van gevaarlijke stoffen. Verweerder heeft de voorschriften opgesteld aan de hand van CPR-15-1 en een advies van de brandweer van de gemeente Almere, kenmerk JL 10168. Volgens het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening vormen de aan de vergunning verbonden voorschriften een juiste invulling van de CPR 15-1.

De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden terzake van de opslag van gevaarlijke stoffen.

De Afdeling merkt op dat het indienen van een veiligheidsrapport alleen verplicht is voor bedrijven die onder de werkingssfeer van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (verder: Brzo) vallen. Uit de aanvraag om een milieuvergunning blijkt dat de hoeveelheden gevaarlijke stoffen die in de inrichting aanwezig zullen zijn, ver onder de drempelhoeveelheden uit bijlage I van het Brzo blijven, zodat voor het opstellen van een veiligheidsplan geen noodzaak bestaat. Hieruit volgt dat deze beroepsgrond geen doel treft.

2.11. Appellanten sub 1 stellen dat ten onrechte nog geen Bedrijfsintern milieuzorgsysteem (verder: BIM) is opgesteld.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aanbrengen van nog verdergaande maatregelen, om nadelige milieugevolgen te voorkomen dan wel te beperken, dan thans reeds door het bedrijf zijn getroffen alleen kan wanneer het bedrijfsproces wordt geoptimaliseerd. Dit is pas mogelijk als het bedrijf al enige tijd in werking is. Vandaar dat hij heeft ingestemd met het opstellen van het BIM enige tijd na het in werking treden van de inrichting.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.12. Volgens appellanten sub 1 heeft verweerder ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning verbonden inhoudende dat de vloer van de werkplaats vloeistofdicht dient te zijn en dat deze vloer moet voldoen aan artikel 5.2.4 van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (verder: NRB) en gecertificeerd dient te zijn conform de CUR/PBV-44.

Verweerder merkt hieromtrent op dat aangezien in de werkplaats geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden de vloer van de werkplaats niet vloeistofdicht behoeft te zijn.

De Afdeling stelt vast dat blijkens de aanvraag om een milieuvergunning er geen gevaarlijke stoffen in de werkplaats zullen worden opgeslagen. Niet valt uit te sluiten dat voor sommige werkzaamheden in de werkplaats kleine hoeveelheden gevaarlijke vloeistoffen zullen worden gebruikt. Wanneer de vloer van de werkplaats verhard is en gemorste stoffen direct worden opgeruimd heeft de vloer van de werkplaats, nu aldaar geen opslag van gevaarlijke stoffen plaats heeft, volgens paragraaf 5.3 van de NRB een eind-emissiescore van 1. Dit houdt in dat in de werkplaats van de onderhavige inrichting sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico, zodat verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen voorschrift aan de vergunning behoefde te worden verbonden waarin een vloeistofdichte vloer voor de werkplaats wordt voorgeschreven. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.13. Voorzover appellanten sub 1 aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op de grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol.

2.14. Voorzover appellanten sub 1 stellen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

2.15. Appellant sub 2 voert aan dat verweerder ten onrechte de voor een industrieterrein geldende normering heeft toegepast. Verder stelt hij dat in de onderhavige inrichting sprake is van een uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen en dat dit zal leiden tot een uitbreiding van de productie. Volgens hem is verweerder hier ten onrechte aan voorbij gegaan. Daarnaast betoogt hij dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de vergunningaanvraag uit 1999 thans geen rol speelt.

In de considerans van het bestreden besluit is verweerder op de in dit kader door appellant ingebrachte bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingegaan. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn

2.16. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 gegrond is wat betreft de voorschriften 2.1 tot en met 2.4 en 9.4.

Ter zitting is over de voorschriften die ter vervanging van de vernietigde voorschriften aan de vergunning dienen te worden verbonden tussen partijen overeenstemming bereikt. De Afdeling ziet hierin aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.

Het beroep van appellant sub 2 is ongegrond.

2.17. Verweerders dienen op de na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van appellant sub 2 bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde van 14 maart 2002, kenmerk

MV 01/27, voorzover het de voorschriften 2.1, 2.2, 2.3, 2.4 en 9.4 betreft;

III. verbindt de volgende voorschriften aan het evenbedoelde besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd:

2.1

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten mag ter plaatse van woningen van derden niet meer bedragen dan:

50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;

45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;

40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.2

Onverminderd het gestelde in voorschrift 2.1 mogen de maximale geluidsniveaus (Lamax), voor zover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van woningen van derden niet groter zijn dan:

70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur.

9.4

Voor het filtermateriaal van het filteronderdeel bestaande uit doekenfilters en het filteronderdeel bestaande uit een actief koolstoffilter geldt dat dit moet worden vervangen zodra de alarmeringszoemer van het betreffende filteronderdeel aangeeft dat de goede werking van dat filteronderdeel niet meer gewaarborgd is.

IV. verklaart het beroep van appellanten sub 1 voor het overige ongegrond;

V. verklaart het beroep van appellant sub 2 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Zeewolde te worden betaald aan appellanten sub 1;

VII. gelast dat de gemeente Zeewolde aan appellanten sub 1 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. P.C.E. van Wijmen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2003

205.