Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
200203851/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 110 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
JB 2003/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203851/1.

Datum uitspraak: 16 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd en kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 21 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 1999 heeft de raad van de gemeente Tilburg (hierna: de raad) aan appellant op grond van de Verordening nadeelcompensatie aanleg Sternet-fietsroutes Tilburg 1997 (de Verordening) een bedrag toegekend van ƒ 38750,00 (€ 17583,98), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 1997.

Bij besluit van 26 maart 2001 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en aangegeven het besluit van 30 augustus 1999 te handhaven met dien verstande, dat aan appellant op grond van een hogere kapitalisatiefactor extra schadevergoeding wordt toegekend ten bedrage van ƒ 38750,00 (€ 17583,98) en dat het totale bedrag aan nadeelcompensatie wordt bepaald op ƒ 77500,00 (€ 35167,97), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 1997.

Bij uitspraak van 21 mei 2002, verzonden op 4 juni 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2002 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.N.J.B. van Osch, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Weerts-van Loon, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat de verordening uitsluitend betrekking heeft op plaatsgevonden verkeersingrepen ter realisering van (onderdelen van) de sternet-fietsroutes zoals vastgesteld in het Fietsplan Tilburg 1993. De verordening is niet van toepassing op de feitelijke uitvoering van de verkeersingreep.

In artikel 3 is bepaald, voorzover van belang, dat indien een belanghebbende meent dat hij schade lijdt of zal lijden als gevolg van een door de gemeente gerealiseerde verkeersingreep, de raad hem op verzoek een vergoeding toekent, voorzover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voorzover de vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.

In artikel 4, tweede lid, is bepaald dat de aanvraag ten minste vergezeld gaat van:

- een zo redelijkerwijs mogelijke opgave van de aard en de omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade;

- een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van aanvrager dient te worden vergoed en – zo een vergoeding in geld wordt gewenst – een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van aanvrager vergoed dient te worden.

In artikel 6 is bepaald dat indien geen toepassing plaats vindt van artikel 5 de raad aan de commissie onder toezending van de aanvraag opdracht geeft terzake advies uit te brengen.

In artikel 7 is bepaald dat als commissie optreedt de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam.

2.2. Appellant is eigenaar van een fotostudio, gevestigd aan de Koestraat 140 te Tilburg. Aan de zijde van de Koestraat waar de fotostudio ligt, is een vrijliggend fietspad in twee richtingen gerealiseerd in het kader van het Fietsplan Tilburg 1993. Het fietspad is grotendeels afgescheiden van de rijbaan door betonnen drempels. Op het resterende, westelijke gedeelte van de Koestraat is eenrichtingsverkeer ingesteld. Het gevolg van deze ingrepen is dat vanaf 1994 de fotostudio door gemotoriseerd verkeer nog slechts vanuit zuidelijke richting is te bereiken. De raad heeft aan appellant in verband hiermee bij besluit van 26 maart 2001 nadeelcompensatie toegekend van ƒ 77500,00 (€ 35167,97). De raad heeft zich hierbij gebaseerd op de adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van november 1998, 31 mei 1999, 20 maart 2000 en 8 februari 2001.

2.2.1. Blijkens de zojuist genoemde adviezen stelt de SAOZ zich op het standpunt dat de door appellant geleden schade vooral tot uitdrukking komt in de ontwikkeling van de brutowinst na de uitvoeringswerkzaamheden in de Koestraat. Teneinde een goed beeld te krijgen van de opgetreden brutowinstderving vanaf 1995 hanteert de SAOZ als vergelijkingskader de gemiddelde brutowinst in de periode 1990 t/m 1993. Het jaar 1994 is buiten beschouwing gelaten, omdat in dat jaar de reconstructiewerken in de Koestraat zijn uitgevoerd. Bij de bepaling van de gemiddelde brutowinst na de voltooiing van de werkzaamheden hanteert de SAOZ de gemiddelde brutowinst in de periode 1995 t/m 1997. De gemiddelde brutowinst bedroeg in de periode van 1990 t/m 1993 afgerond ƒ 34000,00 (€ 15428,53). In de periode 1995 t/m 1997 bedroeg de brutowinst gemiddeld ƒ 26250,00 (€ 11911,73). Het aldus te berekenen verschil, de brutowinstderving, bedraagt op jaarbasis derhalve ƒ 7750,00 (€ 3516,710). De totaal te vergoeden schade is bepaald door kapitalisering met de factor 10 en beloopt aldus ƒ 77500,00 (€ 35167,97).

2.3. Appellant handhaaft in hoger beroep de grief dat het bij de beslissing op bezwaar toegekende bedrag aan nadeelcompensatie te laag is. De raad zou bij de berekening van de inkomensschade in de vorm van verminderde brutoresultaten ten onrechte het tijdvak 1990 tot en met 1993 in beschouwing hebben genomen. Volgens appellant dienen in zijn geval alleen de jaren 1992 en 1993 in beschouwing te worden genomen, omdat hij vanaf 1990 bewust heeft toegewerkt naar een veranderde bedrijfsopzet. De resultaten van die inspanning zijn in 1992 en met name in 1993 zichtbaar geworden in de vorm van omzetstijging.

2.3.1. De raad heeft zich in navolging van de adviezen van de SAOZ op het standpunt gesteld dat de stijging van het bedrijfsresultaat in 1993 niet voetstoots als een structureel verschijnsel of een trend is aan te merken. Voor die conclusie is het resultaat van één jaar te kort. Met de mogelijkheid van een zekere structurele stijging van het bedrijfsresultaat is echter wel rekening gehouden door het jaar 1993 te betrekken in de vergelijking van de bedrijfsresultaten. Indien het betere resultaat in 1993 louter als een incidentele piek zou zijn beschouwd, had dit jaar bij het bepalen van de referentie-omzet buiten beschouwing moeten blijven. Teneinde een goed beeld te krijgen van de opgetreden brutowinstderving is als uitgangspunt gekozen het gemiddelde van de omzetten en brutowinstderving over een langere periode van vier jaar.

2.3.2. De Afdeling ziet evenals de rechtbank geen grond om aan de juistheid van de zienswijze van de SAOZ te twijfelen en is gelet hierop van oordeel dat de raad terecht niet alleen de jaren 1992 en 1993 tot uitgangspunt heeft genomen voor de berekening van de inkomensschade.

2.4. Appellant betoogt voorts dat de kosten van rechtsbijstand en de accountantskosten, die hij heeft gemaakt ter vaststelling van het door hem geleden nadeel in zijn verzoek om nadeelcompensatie, ten onrechte niet tot de te vergoeden schade zijn gerekend. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 augustus 1997 (AB 1998, 37) immers overwogen, dat indien bij de schadevaststelling zowel het inroepen van rechts- dan wel deskundigenbijstand als de kosten daarvan redelijk zijn te achten, deze kosten deel uit kunnen maken van de te vergoeden schade, aldus appellant.

2.4.1. De raad stelt zich in navolging van de adviezen van de SAOZ op het standpunt dat de door de Afdeling ontwikkelde jurisprudentie inzake de vergoeding van deskundigenkosten ten behoeve van de vaststelling van planschade, volgens welke het inschakelen van deskundigen niet redelijk is als verzoeken om planschadevergoeding, op grond van een procedureverordening voor advies moeten worden voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige, ook van belang is in het geval van een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Verordening. Immers, op grond van artikel 6 in samenhang met artikel 7 van de Verordening dient de raad zich ter voorbereiding van de besluitvorming te laten adviseren door een onafhankelijke en deskundige schadebeoordelingscommissie. Deze commissie dient te adviseren over de vraag of het verzoek om vergoeding van schade gegrond is en zo ja, wat de hoogte van de schade is. Daaruit volgt dat het niet noodzakelijk is dat appellant in eerste aanleg ten behoeve van zijn verzoek om nadeelcompensatie kosten maakt ter zake van rechtsbijstand.

2.4.2. De rechtbank heeft het standpunt van de raad onderschreven en voorts overwogen dat appellant als zelfstandig ondernemer in redelijkheid in staat moet zijn zonder het inroepen van juridische en/of bijstand van een accountant een globale raming van zijn schade te maken. Daarbij acht zij van belang dat de aanvraag om schadevergoeding niet behoeft te worden voorzien van een cijfermatige en juridische onderbouwing, gelet op artikel 4, tweede lid, van de Verordening. De commissie, zoals bedoeld in artikel 6 van de Verordening neemt de aanvraag in onderzoek, verzamelt daarbij alle benodigde gegevens en wint zonodig zelf informatie bij derden in, aldus de rechtbank.

2.4.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 augustus 1997 (AB 1998, 37) moeten, indien bij de schadevaststelling in het kader van nadeelcompensatie zowel het inroepen van rechts- dan wel deskundigenbijstand als de kosten daarvan redelijk zijn te achten, deze kosten deel kunnen uitmaken van de te vergoeden schade.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de door appellant gemaakte kosten voor rechtsbijstand in het kader van de vaststelling van de schade voor vergoeding in aanmerking komen. Ondanks de in artikel 6 van de Verordening neergelegde verplichting voor de raad om ter zake van een aanvraag om schadevergoeding advies uit te laten brengen, vergt de Verordening, gelet op artikel 4, tweede lid, in eerste instantie een dermate actieve en specialistische inbreng van de aanvrager, dat het inroepen van rechtsbijstand door appellant in het kader van de vaststelling van de schade redelijk is. Hieraan doet niet af dat appellant een zelfstandig ondernemer is. Nu de door appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand ook redelijk zijn, dienen deze kosten, voorzover toe te rekenen aan de periode vóór 30 augustus 1999, deel uit te maken van de te vergoeden schade.

In zoverre appellant een vergoeding wenst voor de door hem gemaakte accountantskosten in het kader van de vaststelling van de schade, slaagt zijn betoog niet. Het inroepen van de bijstand van een accountant naast het inroepen van rechtsbijstand is in dit geval niet redelijk, nu appellant als eigenaar van een eenmanszaak geacht kan worden op grond van zijn boekhouding redelijkerwijs zelf al over de noodzakelijke gegevens te beschikken. Dit klemt te meer nu appellant niet aannemelijk heeft weten te maken dat de door zijn accountant verstrekte gegevens een toegevoegde waarde hebben.

Ook voor een vergoeding in de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedure is geen grond aanwezig. Vast staat dat de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures (Wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 55) in dit geval niet van toepassing is, omdat het besluit van 30 augustus 1999 is genomen voor de inwerkingtreding van deze wet. Derhalve is het oude recht van toepassing. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 18 november 1999 (JB 2000/9) heeft overwogen, dienen de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten van rechtsbijstand in beginsel voor rekening van de belanghebbende te blijven en komen zij slechts in bijzondere gevallen langs de weg van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. Het bestuursorgaan mag, naar de Afdeling onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 3 april 2000 (AB 2000, 256), ditzelfde criterium toepassen. Dat hier van een bijzonder geval sprake is, is niet gebleken.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover het betreft het oordeel van de rechtbank dat de kosten van rechtsbijstand in het kader van de schadevaststelling geen deel uit maken van de te vergoeden schade. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van de raad van 26 maart 2001 vernietigen voorzover daarbij de weigering de kosten van rechtsbijstand in het kader van de schadevaststelling te vergoeden is gehandhaafd. Voorts ziet de Afdeling aanleiding op de hierna te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het door de raad aan appellant te vergoeden bedrag van kosten van rechtsbijstand exclusief BTW, welke appellant als ondernemer immers kan terugvorderen, is op grond van de door appellant overlegde kostenstaat van 2 mei 2001, voorzover deze betrekking heeft op de periode vóór 30 augustus 1999, begroot op een bedrag van € 1586,14, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2000, zijnde één maand na de datum van het eerste voorschotnota voor de rechtsbijstandverlener (20 december 1999).

2.6. De raad van de gemeente Tilburg dient op na te melden wijze in de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 21 mei 2002, 01/932 WET, voorzover deze betrekking heeft op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in het kader van de vaststelling van de schade;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 26 maart 2001, kenmerk 2001/50, voorzover daarbij de weigering de kosten van rechtsbijstand in het kader van de schadevaststelling te vergoeden is gehandhaafd;

V. bepaalt dat de raad van de gemeente Tilburg aan appellant een bedrag van € 1586,14 aan kosten van rechtsbijstand moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 januari 2000 tot en met de dag van betaling, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Tilburg in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1312,91, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Tilburg te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Tilburg aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 274,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2003

299.