Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200202634/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 109K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202634/2.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Rietlanden Stevedores B.V.”, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2002, kenmerk 2002-14356, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Constar Betonwaren Amsterdam B.V.” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een betonmortelcentrale en productiebedrijf van betonwaren op het perceel Amerikahavenweg 8d te Amsterdam, kadastraal bekend gemeente Sloten, sectie K, nummer 2888 (gedeeltelijk). Dit besluit is op 26 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2002.

Bij brief van 4 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar appellante vertegenwoordigd door mr R.E. Izeboud, advocaat te Rosmalen,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.M. Karssen-Hoogerwerf, medewerkster Dienst Milieu en Bouwtoezicht Amsterdam, en

[partij], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het ontwerp van het besluit, bekendgemaakt op 27 december 2001, is opgesteld door burgemeester en wethouders van Amsterdam. Verweerder heeft vervolgens, als zijnde het bevoegd gezag ten aanzien van de onderhavige inrichting, bij het bestreden besluit van 16 april 2002 vergunning verleend.

2.2. Ingevolge artikel 8.6 van de Wet milieubeheer zijn de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt het bestuursorgaan – voorzover hier van belang – zo spoedig mogelijk een ontwerp op van het besluit.

Ingevolge het tweede lid, van dit artikel dient binnen een in het artikellid genoemde termijn van het ontwerp gelijktijdig mededeling te worden gedaan door:

a. terinzagelegging;

b. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt:

c. kennisgeving in de Staatscourant in de gevallen waarin een orgaan van de rijks- of provinciale overheid het bestuursorgaan is.

2.3. Appellante voert in beroep ondermeer aan dat zij in haar bedenkingen er op heeft gewezen dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland in deze het bevoegd gezag is en niet burgemeester en wethouders van Amsterdam. Daarbij heeft zij gewezen op categorie 11.3.c van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Verweerder, die de verdere afhandeling van de aanvraag ter hand heeft genomen, heeft nagelaten het ontwerp van het besluit opnieuw te publiceren. Hierdoor heeft geen publicatie van het ontwerp van het besluit in de Staatscourant plaatsgehad, zoals bepaald in artikel 3:19, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.1. In zijn verweerschrift zegt verweerder dienaangaande, dat hij de procedure die door het college van burgemeester en wethouders is gevolgd, alsmede het door hem opgestelde ontwerp van het besluit kan onderschrijven. Als hij zelf een ontwerp van het besluit had moeten opstellen was hij tot eenzelfde ontwerp van het besluit gekomen. Verweerder achtte het in verband daarmee niet zinvol om voor de tweede keer een inhoudelijk gelijkluidend ontwerp van het besluit ter inzage te leggen; derden waren immers al in staat gesteld om te reageren op het ontwerp van het besluit.

2.3.2. De Afdeling is van oordeel dat verweerder met zijn handelwijze heeft miskend dat in geval hij bevoegd is en niet het college van burgemeester en wethouders vanwege de aard en omvang van de inrichting zwaardere eisen aan de mededeling van het ontwerp worden gesteld. Verweerder heeft derhalve met zijn handelwijze artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschonden.

De Afdeling overweegt verder, dat niet is gebleken dat eventuele andere belanghebbenden niet in hun belangen zijn geschaad door het ontbreken van een publicatie van het ontwerp van het besluit in de Staatscourant. Er bestaat dan ook geen grond de schending van het vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is. De overige beroepsgronden van appellante behoeven in verband daarmee geen behandeling meer. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 16 april 2002, kenmerk 2002-14356;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie

Noord-Holland te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

205.