Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200204462/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204462/1.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2002, kenmerk WM01.22, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een tankstation met wasgelegenheid op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 5 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 december 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. ing. T. Steenbeek, gemachtigde, [eigenaar], en verweerder, vertegenwoordigd door M.L.C. Laureij en J.G.M. Snoeijs, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [eigenaar].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant heeft de grond dat de bouwvergunning bij de vergunningverlening had moeten worden betrokken niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellant voert aan dat verweerder de buiten de termijn ingediende aanvullende bedenking betreffende de onttrekking van grondwater bij het nemen van het bestreden besluit had moeten betrekken.

2.2.1. Ingevolge artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen.

2.2.2. Het ontwerp van het besluit heeft ter inzage gelegen van 4 januari 2002 tot 1 februari 2002. Appellant heeft op 29 januari 2002 bedenkingen ingebracht. Op 23 mei 2002 heeft appellant een aanvullend bedenkingenschrift ingediend. Dit bedenkingenschrift van 23 mei 2002 is derhalve buiten de wettelijke termijn van vier weken ingebracht.

Het buiten de termijn van vier weken indienen van nieuwe bedenkingen, die hun grondslag niet vinden in de tijdig ingebrachte bedenkingen, is in strijd met artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en met het systeem van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft mitsdien terecht in het bestreden besluit de in het geschrift van 23 mei 2002 geformuleerde bedenking buiten beschouwing gelaten.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.3. Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat anders dan is aangevraagd het tankstation en de daarbij behorende kiosk op zondag geopend zijn. Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellant voert aan dat de stukken betreffende de resultaten van de met gewijzigde waarneemhoogten berekende geluidbelasting en de geluidsimmissie van de transportvoertuigen niet ter inzage zijn gelegd.

2.4.1. Ingevolge artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht worden met het ontwerp van het besluit ter inzage gelegd de rapporten en adviezen die in verband met het ontwerp zijn uitgebracht, voorzover deze redelijkerwijs nodig kunnen zijn voor een beoordeling van het ontwerp.

Ingevolge artikel 6:22 kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift, door het orgaan dat op bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

2.4.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder in strijd met artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht de desbetreffende stukken niet tegelijk met het ontwerp van het besluit ter inzage heeft gelegd. Wel zijn deze stukken op een later tijdstip door verweerder aan appellant en overige belanghebbenden toegezonden. Gebleken is dat appellant noch potentiële belanghebbenden door deze schending zijn benadeeld.

De Afdeling ziet dan ook in het vorenstaande aanleiding de schending van dit vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6. Appellant stelt dat verweerder bij het verlenen van de onderhavige vergunning ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de planologische toelaatbaarheid van sommige onderdelen van deze inrichting.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Reeds om die reden kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.7. Appellant vreest geluidhinder. Hij voert hiertoe aan dat de in voorschrift E.1 opgenomen geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Hij kan zich niet verenigen met de uitgangspunten van de door verweerder gebruikte akoestische rapporten. In dat kader merkt appellant op dat bij de berekening van de geluidbelasting vanwege de inrichting op de gevel van zijn woning onvoldoende rekening is gehouden met het hoogteverschil tussen de twee percelen. Tevens is zijns inziens op onjuiste wijze de geluidwerendheid van de bestaande erfafscheiding bij het onderzoek betrokken. Voorts zou zijn uitgegaan van te lage vervoersaantallen op het terrein van de inrichting.

2.7.1. Ingevolge voorschrift E.1 van het bestreden besluit mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr.LT) veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting ter plaatse van Bosmanskamp 49 en andere geluidsgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan:

51 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

39 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

39 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).

2.7.2. In de oprichtingsvergunning van 3 februari 1997, kenmerk RO/3430, zijn geen geluidsnormen opgenomen. Verweerder is om die reden bij de beoordeling van de geluidbelasting van de inrichting op de gevel van de woning van appellant uitgegaan van de feitelijke geluidbelasting op de woning van appellant, waarbij is betrokken dat de inrichting op een industrieterrein ligt.

Ten behoeve van de vergunningaanvraag zijn door DvL Milieu & Techniek geluidtechnische onderzoeken verricht. Van deze onderzoeken zijn rapporten opgemaakt, gedateerd op 21 februari 2000 en 16 juli 2001, beide met kenmerk A-002521a. Naar aanleiding van de ingediende bedenkingen zijn door verweerder nadere berekeningen uitgevoerd. Berekend is dat de geluidbelasting vanwege de inrichting in de dagperiode 50,9 dB(A) bedraagt.

Bij het berekenen van de geluidbelasting op de gevel van de woning zijn de in de aanvraag opgenomen prognoses van het aantal voertuigen, dat op het terrein van de inrichting van de daar aanwezige voorzieningen gebruik maakt, tot uitgangspunt genomen. In het rapport van 16 juli 2001 wordt geconcludeerd dat om aan de voorgeschreven geluidgrenswaarden te kunnen voldoen, de kettingwasinstallatie niet meer dan 50 maal per dag in werking mag zijn bij geopende overheaddeuren. Tevens dient op de perceelgrens tussen de kettingwasinstallatie en de woning van appellant een geluidscherm te worden geplaatst met een hoogte van 2,5 meter.

Ten aanzien van het hoogteverschil tussen beide percelen overweegt de Afdeling het volgende. In de door verweerder in voorschrift E.5 van toepassing verklaarde Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 wordt voor beide daarin opgenomen rekenmethoden uitgegaan van een meet- en beoordelingshoogte van ten minste 1,5 meter op de plaats waar hinder wordt of kan worden ondervonden. De in voorschrift E.1 opgenomen grenswaarden gelden dan ook op 1,5 meter hoogte op de gevel van de woning van appellant. De Afdeling constateert op grond van het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting dat het hoogteverschil tussen beide percelen ongeveer 0,58 meter bedraagt. Dit hoogteverschil is niet in de akoestische onderzoeken meegenomen. De feitelijke geluidbelasting van de inrichting zou ten gevolge van het hoogteverschil hoger kunnen zijn dan waarvan is uitgegaan. Op grond van de akoestische rapporten kan niet worden beoordeeld of een geluidscherm met een hoogte van 2,5 meter toereikend is om aan de in voorschrift E.1 genoemde geluidgrenswaarden te kunnen voldoen. Voorts constateert de Afdeling dat wat betreft de hoogte van het geluidscherm en het daarbij toegepaste materiaal er een discrepantie bestaat tussen de bij het bestreden besluit behorende tekening van de i en i groep van 17 september 2001, kenmerk 58/02, en de eerdergenoemde akoestische rapporten.

De Afdeling is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen vergaart.

Deze beroepsgrond treft doel.

2.8. Appellant voert, kort weergegeven, aan dat de in voorschrift E.2 gestelde maximale geluidsniveaus (LA max) niet naleefbaar zijn.

2.8.1. Ingevolge voorschrift E.2 mag het maximale geluidniveau (LA max) binnen de inrichting op de in voorschrift E.1 genoemde beoordelingsplaatsen niet meer bedragen dan:

70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).

2.8.2. De Afdeling stelt vast dat uit de geluidtechnische onderzoeken van DvL Milieu & Techniek naar voren is gekomen dat piekgeluiden veroorzaakt door vrachtwagens op het terrein van de inrichting het maximale geluidniveau voor de dagperiode overschrijden. Dit betekent dat voorschrift E.2 in de dagperiode niet naleefbaar is. Nu verweerder dit bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft onderkend, is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het rechtsbeginsel dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid moet worden genomen.

Deze beroepsgrond treft doel.

2.9. Voorzover appellant vreest dat de aan de vergunning verbonden voorschriften E.1 en E.2 niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.10. Appellant vreest dat het aan de vergunning verbonden voorschrift E.4, zonder nader te stellen eisen, niet handhaafbaar is, nu vrachtwagens door middel van een passysteem tussen 19.00 uur en 07.00 uur kunnen tanken.

2.10.1. Ingevolge voorschrift E.4 mogen er tussen 19.00 uur en 07.00 uur geen vrachtwagens op het terrein aanwezig zijn.

2.10.2. De Afdeling overweegt dat voorschrift E.4, zonder nader te stellen eisen, handhaafbaar is, nu onder meer door middel van visuele inspectie de naleving van voorschrift E.4 kan worden gecontroleerd.

Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.11. Appellant betoogt dat rond het LPG-reservoir geen autovrije zone van vijf meter in acht is genomen.

2.11.1. Niet in geschil is dat het Besluit LPG-tankstations milieubeheer op de onderhavige inrichting van toepassing is.

Ingevolge voorschrift 4.2.9 van bijlage I van het Besluit moet, voorzover hier van toepassing, de afstand tussen het reservoir en aflevertoestellen voor benzine, diesel en LPG alsmede voertuigen waaraan motorbrandstof wordt geleverd ten minste 5 m bedragen.

2.11.2. De Afdeling overweegt dat, gelet op de tekst van voorschrift 4.2.9, anders dan appellant stelt, een afstand van ten minste vijf meter tot aan motorvoertuigen alleen in acht moet worden genomen aan de kant van het LPG-reservoir waar brandstof aan voertuigen wordt geleverd.

Gelet op de stukken, waaronder de tekening van de i en i groep van 17 september 2001, kenmerk 58/02, en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen het LPG-reservoir en voertuigen waaraan brandstof wordt geleverd en de afstand tot aflevertoestellen voor benzine, diesel en LPG meer dan 12 meter, zodat wordt voldaan aan de in voorschrift 4.2.9 van bijlage I van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer weergegeven afstand van ten minste vijf meter.

Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.12. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, gegrond. Aangezien de geluidsituatie binnen de inrichting bepalend is bij de beantwoording van de vraag of vergunning kan worden verleend, dient het besluit in het geheel te worden vernietigd.

2.13. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond betreft dat verweerder de bouwvergunning bij de vergunningverlening had moeten betrekken;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen van 2 juli 2002, kenmerk WM01.22;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Geldermalsen te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de gemeente Geldermalsen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

169-375.