Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200205499/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205499/1.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Bewoners van de Hamersestraat en omgeving, wonend te Westervoort,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westervoort het wijzigingsplan "2e wijziging bestemmingsplan Naederhuizen" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 augustus 2002, nr. RE2002.72462, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 november 2002 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Bewoners van de Hamersestraat en omgeving. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2003, waar van de appellanten, [appellanten] zijn verschenen. Voorts zijn verschenen verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. van Liempt, ambtenaar van de provincie, en het college van burgemeester en wethouders van Westervoort, vertegenwoordigd door mr. M.P.M. van Reede, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Met het wijzigingsplan (hierna: het plan) wordt beoogd het wegprofiel van de Hamersestraat met drie meter te verbreden ter plaatse van de kruising met de Brouwerslaan voor de aanleg van middengeleiders ten behoeve van de verbetering van de verkeersveiligheid.

Het plan is gebaseerd op artikel 36, eerste lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Naederhuizen” (hierna: het bestemmingsplan) en heeft betrekking op wijziging van de bestemming “Groenvoorzieningen” in de bestemming “Verkeersdoeleinden (V)”.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd. Zij voeren hiertoe aan dat het plan niet voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden neergelegd in artikel 36, eerste lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Volgens appellanten is de verbreding van het wegprofiel van de Hamersestraat met drie meter ter plaatse van de kruising met de Brouwerslaan geen ondergeschikte wijziging, waarbij de functionele opzet van de groenvoorziening wordt gehandhaafd.

Zij betogen verder dat het plan leidt tot de kap van de historische laanbeplanting langs de Hamersestraat. Voorts zal de groenstrook die na de wegverbreding resteert volgens appellanten niet meer gebruikt kunnen worden als speelvoorziening. Zij stellen verder dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de wegverbreding. Appellanten zijn tevens van mening dat het plan zal leiden tot een verslechtering van de verkeersveiligheid in plaats van een verbetering.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan. Hierbij heeft het college overwogen dat de bestemmingsgrens slechts met drie meter wordt verschoven en de functie van de Hamersestraat als zodanig door de wegverbreding niet verandert.

2.5. Verweerder deelt het standpunt van het college en heeft het plan goedgekeurd. Hij kan instemmen met de beoordeling van de zienswijzen door het college. Verweerder heeft verder geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.6. Ingevolge artikel 28, lid A, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart als groenvoorzieningen aangewezen gronden bestemd voor parken, plantsoenen, bermstroken en andere tot de woonwijk behorende groenvoorzieningen, met de daarbij behorende voet- en fietspaden, vijvers, waterlopen, speeltoestellen, speelterreintjes, gebouwen en andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan is het college bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het bestemmingsplan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

ondergeschikte wijzigingen in het beloop van wegen en waterlopen, mits de functionele opzet zal worden gehandhaafd, met dien verstande dat de bestemmingen onderling verwisseld mogen worden.

2.6.1. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het plan in overeenstemming is met de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de verbreding van het wegprofiel van de Hamersestraat met drie meter ter plaatse van de kruising met de Brouwerslaan een ondergeschikte wijziging in het beloop van de weg betreft, waarbij de functionele opzet van de weg wordt gehandhaafd. De twee rijbanen van de Hamersestraat als zodanig worden immers niet verbreed. Om de middengeleiders te kunnen plaatsen wordt maar één van de twee rijbanen van deze weg in zuidelijke richting verlegd.

Ten aanzien van de groenstrook die na de wegverbreding resteert overweegt de Afdeling als volgt. Hoewel de toepassingsmogelijkheden van de huidige groenstrook minder zullen worden door de verlegging van één van de rijbanen van de Hamersestraat in zuidelijke richting, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de resterende groenstrook als speelvoorziening onmogelijk wordt.

Voor zover appellanten bezwaar hebben tegen het verdwijnen van de historische laanbeplanting langs de Hamersestraat is de Afdeling van oordeel, dat verweerder hieraan geen overwegende betekenis heeft hoeven toekennen. Hierbij neemt zij in aanmerking dat slechts een beperkt aantal bomen moet worden gekapt en dat deze bomen bovendien niet monumentaal zijn. Overigens heeft het college aangegeven dat voor compensatie kan worden gezorgd.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan zal leiden tot een verbetering van de verkeersveiligheid ter plaatse. Hierbij neemt zij in aanmerking dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar het veiliger maken van het kruispunt van de Hamersestraat en de Brouwerslaan. Tevens is in aanmerking genomen dat de twee definitieve inrichtingsvoorstellen voor dit kruispunt, afkomstig van het gemeentebestuur en van de buurtbewoners door een verkeersdeskundige met elkaar zijn vergeleken. Uiteindelijk is gekozen voor het door het gemeentebestuur uitgewerkte inrichtingsvoorstel. Niet is gebleken dat de uitkomsten van dit vergelijkingsonderzoek onjuist zijn, dan wel dat dit onderzoek op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Gezien de plaatsing van de middengeleiders op de Hamersestaat zonder dat de rijbanen worden verbreed, acht de Afdeling het aannemelijk dat deze inrichting in beginsel zal leiden tot een afname van de snelheid van de gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Bovendien kan de Hamersestraat door deze middengeleiders in twee etappes worden overgestoken.

De Afdeling deelt niet het standpunt van appellanten dat het college een akoestisch onderzoek als bedoeld in de Wet geluidhinder aan het plan ten grondslag had moeten leggen. Van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder is geen sprake. Weliswaar zal de afstand tot aan de woningen die gesitueerd zijn ten zuiden van de Hamersestraat door de verlegging van één van de rijbanen van deze straat naar het zuiden kleiner worden, maar er bestaat geen grond voor de verwachting dat door deze verlegging de geluidsbelasting vanwege de Hamersestraat met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet aannemelijk is dat de verkeersstroom op de Hamersestraat als gevolg van het plan zal toenemen, aangezien het plan de functionele opzet van deze weg niet wijzigt en uitsluitend de kruising met de Brouwerslaan door het enigszins verhogen van de kruising, het voorzien van flauwe drempels en de plaatsing van de middengeleiders wordt aangepast ter verbetering van de verkeersveiligheid.

2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

12-427.