Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200106153/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106153/1.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 8 november 2001 in het geding tussen:

appellante,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 18 maart 1997 en van 23 oktober 1997 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd door appellante overgelegde uittreksels uit een geboorteregister alsmede verklaringen betreffende de burgerlijke staat te legaliseren.

Bij besluit van 7 april 1999 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 november 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2002 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij, alsmede bij brief van 14 oktober 2002, heeft hij op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om ten aanzien van een aantal stukken, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade in [plaats] verrichte verificatie-onderzoek, toe te staan dat appellante daarvan geen, althans gedeeltelijk geen, kennis kan nemen. Op 31 oktober 2002 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat het verzoek gerechtvaardigd is, met uitzondering van vijf bladzijden omdat hiervan geen geanonimiseerde versie was overgelegd en niet duidelijk was of en in hoeverre het verzoek om geheimhouding hierop betrekking had. Bij brief van 1 november 2002 heeft appellante toestemming, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb, verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2003, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. S.M.B. Verlinde en mr. H.C. van Scherpenseel, ambtenaren van het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Legalisatie van de uittreksels uit het geboorteregister is geweigerd, omdat bij verificatie-onderzoek voor de juistheid van de in deze documenten genoemde geboortedata dan wel afstammingsgegevens geen bevestiging is gevonden in onafhankelijke bronnen. Legalisatie van de verklaringen betreffende de burgerlijke staat is geweigerd met toepassing van het zogenoemde koppelingsbeleid.

2.2. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, voorzover thans van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, voorzover thans van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

2.2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de primaire besluiten niet op een deugdelijke motivering berusten en dat zij in haar belangen is geschaad doordat de minister eerst bij brief van 27 maart 1998 de redenen voor de weigering van legalisatie van de aangeboden documenten kenbaar heeft gemaakt. Daarnaast betoogt appellante dat de minister in strijd met artikel 4:7 van de Awb heeft gehandeld door haar niet in de gelegenheid te stellen haar zienswijze over de te nemen afwijzende beschikking naar voren te brengen

2.2.2. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, is het de taak van de rechtbank een besluit te toetsen waartegen in rechte is opgekomen. Ter toetsing bij de rechtbank lag enkel voor de beslissing op bezwaar van 7 april 1999. De rechtbank heeft zich terecht beperkt tot toetsing van dit besluit op de voet van de daartegen aangevoerde gronden en de door haar te verrichten ambtshalve toetsing. Daarenboven kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juni 1997, no. H01.96.0464, gepubliceerd in RAwb 1997, 165) het verzuim een belanghebbende voorafgaand aan het nemen van een besluit te horen in beginsel in de bezwaarfase worden hersteld. De minister heeft naar het oordeel van de Afdeling bij de beslissing op bezwaar duidelijk kenbaar gemaakt dat en waarom er twijfel bestaat aan de juistheid van de in overgelegde geboortebewijzen neergelegde geboortedata en afstammingsgegevens. Aldus is voldoende inzicht geboden in de reden van de weigering om over te gaan tot legalisatie. Voorts is niet gebleken dat appellante onvoldoende in de gelegenheid is gesteld de juistheid van de door haar aangeboden documenten aannemelijk te maken.

2.3. Appellante betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de twijfel omtrent de in de door haar overgelegde geboorteakte vermelde geboortedatum heeft onderbouwd.

2.3.1. Dit betoog faalt evenzeer. In het register van de door appellante bezochte school is een afwijkende geboortedatum gevonden. Gelet op het verslag van het verificatie-onderzoek en de overige stukken, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister de weigering om de overgelegde documenten te legaliseren niet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen mocht handhaven. Met name heeft de minister niet de in beginsel aanwezige twijfel aan de juistheid van de geboorteakte met gegevens uit objectieve bron door appellante weggenomen hoeven achten.

2.4. Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij in de aanvraag om legalisatie van het uittreksel uit het geboorteregister twee namen heeft vermeld als zijnde de namen van haar vader. Volgens appellante blijkt hieruit dat het gaat om twee namen voor dezelfde persoon, zodat het op de weg van de minister had gelegen hiermee in het verificatie-onderzoek rekening te houden.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 13 november 2002 in zaak nr. 200105818/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) heeft overwogen, ligt het op de weg van de aanvrager om reeds bij de aanvraag voldoende, juiste en relevante gegevens te verstrekken om het verificatie-onderzoek mogelijk te maken.

Gelet op de verslagen van de verificatieonderzoeken, de overige stukken en het verhandelde ter zitting, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister in het verificatie-onderzoek onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de vader van appellante mogelijk onder twee namen bekend stond. De minister heeft er ter zitting terecht op gewezen dat op het op 23 januari 1997 door appellante ondertekende en ingediende aanvraagformulier betreffende de legalisatie van haar geboorteakte slechts één naam als zijnde die van haar vader is vermeld en evenzeer terecht opgemerkt dat het stuk waarop twee namen als naam van de vader voorkomen, niet ondertekend, niet gedateerd en niet de aanvraag is waarop is beslist. Het stuk is later in de procedure ingebracht.

2.5. Appellante beoogt kennelijk te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust omdat het standpunt van de minister, dat ertoe strekt dat tijdens het verificatieonderzoek een afwijkende geboortedatum van appellante is aangetroffen, niet blijkt uit de door de minister overgelegde stukken. Daarnaast betoogt appellante dat, hoewel de minister in zijn brief 27 maart 1998 verwijst naar een schoolonderzoek tijdens welk de desbetreffende afwijkende geboortedatum zou zijn geconstateerd, uit de stukken evenmin blijkt dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. In dit verband wijst zij op een door het hoofd van de door appellante bezochte school afgelegde verklaring van 25 februari 1999 volgens welke verklaring bij de school geen navraag is gedaan door de Nederlandse ambassade naar de gegevens betreffende appellante.

2.5.1. Dit betoog faalt evenzeer. Dat een aantal stukken met betrekking tot het verificatieonderzoek – waaronder de stukken betreffende het schoolonderzoek – eerst in de fase van hoger beroep openbaar zijn gemaakt, kan niet leiden tot het gegrond verklaren van het hoger beroep, nu niet is gebleken dat appellante, door haar onbekendheid met die stukken een kans op een gunstiger beslissing, dan waartoe de minister is gekomen, heeft gemist. Voor de juistheid van de inhoud van het uittreksel uit het geboorteregister is geen bevestiging gevonden in onafhankelijke bronnen, zodat de minister reeds hierom zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat legalisatie diende te worden geweigerd.

Het betoog van appellante omtrent de zorgvuldigheid van het schoolonderzoek slaagt evenmin. Uit het verslag van het verificatie-onderzoek blijkt dat de door appellante bezochte “Fomena Methodist Primary School” op 1 oktober 1997 is bezocht en dat toen in de registers van de school een afwijkende geboortedatum van appellante is gevonden.

2.6. Het betoog van appellante dat legalisatie van de verklaringen betreffende de burgerlijke staat ten onrechte is geweigerd, faalt evenzeer. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 30 juni 2000, in zaak nr. 199901701/1, JV 2000/189) heeft overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat een geboortebewijs geldt als brondocument voor de vaststelling van de identiteit. De mogelijke twijfel aan de juistheid van een geboorteakte treft daarom ook een huwelijksakte, waarin dezelfde gegevens zijn opgenomen.

De terecht voorgedragen klacht van appellante dat de rechtbank in dit verband ten onrechte heeft overwogen dat legalisatie van de verklaringen betreffende de burgerlijke staat terecht is geweigerd omdat appellante al vóór 1997 een customary huwelijk zou hebben gesloten, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu deze overweging ten overvloede is gegeven en niet dragend is voor het dictum van de aangevallen uitspraak.

2.7. Appellante betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de grief van appellante, dat de weigering om de huwelijksakte te legaliseren in strijd is met de Wet conflictenrecht huwelijk en het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken, niet kan slagen omdat, zo al niet moet worden geoordeeld dat deze grief te laat is ingediend, deze niet op de legalisatie van de huwelijksakte ziet maar op de inschrijving hiervan in de gemeentelijke basisadministratie.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 21 augustus 2002 in zaak nr. 200105909/1, gepubliceerd in JV 2002/347) heeft overwogen, is bij legalisatie uitsluitend van belang of het desbetreffende document wat betreft zijn inhoud van zodanige kwaliteit is, dat het verantwoord is het in de Nederlandse rechtsorde een zelfstandige rol te laten vervullen. Niet van belang is, welke gevolgen een eventuele weigering om het document te legaliseren met zich kan brengen voor degene die om legalisatie heeft verzocht. Die gevolgen kunnen door de daartoe bevoegde instanties onder ogen worden gezien in de procedure, waarvoor het document nodig is. Daarin kan beoordeeld worden of de belangen van betrokkene moeten prevaleren boven die, gediend met het stellen van de eis van legalisatie. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte aan genoemde wet en verdrag voorbij is gegaan, faalt derhalve.

2.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet kan leiden tot een ander oordeel, dan dat waartoe de rechtbank is gekomen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.C. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op: 9 april 2003

241-360.