Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200203874/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203874/1.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2001 heeft de gemeenteraad van Voorburg, thans Leidschendam-Voorburg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juli 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Sijtwende".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 mei 2002, kenmerk DRGG/ARB/01/9673B, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2003, waar appellant in persoon en vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.J.V.M. Severijns, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Tevens is de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg vertegenwoordigd door P. van Ark, ambtenaar der gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op het noordelijke deel van het grondgebied van de voormalige gemeente Voorburg en maakt de aanleg van een gedeelte van de Noordelijke Randweg Haagse Regio (hierna: NORAH) mogelijk. Het plan voorziet in de gecombineerde ontwikkeling van de stadsrandweg en de bouw van ongeveer 700 woningen, waarbij de weg verdiept en overkapt wordt aangelegd met aansluitend woonbebouwing. Verweerder heeft het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellant, eigenaar van een woning aan het Oosteinde tegen de grens van het plangebied aan, stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover dit de bouw van een woning op het aangrenzende perceel mogelijk maakt. Hij voert hiertoe onder meer aan dat de kavel veel te klein is voor het toegekende bouwblok en dat de voorziene woningbouw niet past in het bestaande bebouwingslint langs het Oosteinde.

2.3.1. De gemeenteraad heeft aan de in geding zijnde gronden de bestemming "Woondoeleinden–W-" en de aanduiding "tuin of onbebouwd erf" toegekend. De gemeenteraad heeft hierbij overwogen dat het bouwblok een eigentijdse beëindiging aan het bebouwingslint langs het Oosteinde geeft en een inleiding vormt tot het nieuwe woongebied. Op grond van de voorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor eengezinshuizen met bijbehorend terrein ten dienste van de bestemming.

2.3.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat in het verleden op het perceel een woning heeft gestaan en dat het geldende bestemmingsplan nieuwbouw ter plaatse mogelijk maakt. Tevens past het bouwblok wat betreft bouwmassa en situering in het bebouwingslint van het Oosteinde. Gelet hierop heeft verweerder dit plandeel goedgekeurd.

2.3.3. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen overwegen dat het nieuwe bouwblok past in de gevelwand van het Oosteinde en een afronding van het bebouwingslint en tevens een overgang naar de nieuwe bebouwing in het plangebied vormt. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit de plankaart blijkt dat de afstand tussen het bouwblok en de woning van appellant 10 meter bedraagt en de maximale bebouwingshoogte 10 meter is. Voorts is de rooilijn van de naastliggende woningen aan het Oosteinde aangehouden. Verweerder heeft tevens van belang kunnen achten dat voorheen op dit perceel woonbebouwing heeft gestaan. Voorzover appellant het bezwaarlijk vindt dat het plan niet voorziet in een achtertuin bij het nieuwe bouwblok, overweegt de Afdeling dat ingevolge de voorschriften op gronden met de aanduiding "tuin of onbebouwd erf" geen parkeerplaats of bebouwing is toegestaan. Niet is aannemelijk geworden dat appellant door het plan op dit punt onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Voorzover verweerder ter zitting heeft gesteld te twijfelen aan de ontvankelijkheid van het beroep op dit punt daar dit bezwaar voor het eerst in beroep is aangevoerd, overweegt de Afdeling dat voornoemd bezwaar dient te worden beschouwd als een nadere onderbouwing van de beroepsgrond met betrekking tot het bouwblok.

2.4. Appellant voert verder aan dat de watergang die in het voorontwerp van het plan langs één kant van zijn perceel tot aan het Oosteinde was voorzien, is komen te vervallen. Hij betoogt dat de watergang niet alleen noodzakelijk is voor opvang en berging van hemelwater maar ook als buffer tussen het plangebied en zijn woning. Appellant acht het wenselijk om de watergang door te trekken tot aan het trottoir van het Oosteinde, met de mogelijkheid aan te sluiten op het bestaande waterlopenstelstel dat met een duiker onder het Oosteinde is verbonden met het plangebied.

2.4.1. De gemeenteraad heeft aan de gronden aan de noordzijde van het perceel van appellant de bestemming "Water" toegekend. Hij heeft het voorontwerp aangepast wat betreft de lengte van de watergang naast het perceel van appellant. Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor de waterhuishouding.

2.4.2. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan evenmin in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij heeft onder meer overwogen dat niet is aangetoond dat de tunnelbak een nadelige werking heeft op de waterhuishouding en dat het waterbergend vermogen met de aanleg van deelgebied 4, waaraan het perceel van appellant grenst, zal toenemen ten opzichte van de oude situatie. Gelet hierop heeft verweerder het plan in zoverre goedgekeurd.

2.4.3. Op grond van de voorschriften dient de oppervlakte van de voor water aan te wijzen gronden in totaal tenminste 22.000 m2 te bedragen. De gemeenteraad heeft aangegeven dat in het plangebied ruim 31.000 m2 oppervlakte water zal worden aangelegd, waarvoor de betrokken waterschappen reeds vergunningen hebben verleend. Het plan voorziet voorts in de nabijheid van het perceel van appellant, ter plaatse van de gronden met de bestemming "Water" in de aanleg van een ongeveer 450 meter lange watergang met een minimale breedte van ongeveer 5 meter. Haaks op deze watergang zijn negen zijwatergangen voorzien met een lengte van ongeveer 40 meter en een minimale breedte van 5 meter. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de watergang aan de noordzijde in verbinding zal komen te staan met de Broeksloot, aan de zuidzijde zal de watergang via een nieuw aan te leggen duiker ten oosten en ten zuidoosten van het perceel van appellant onder het wegdek van het Oosteinde worden geleid. De bestaande verbinding via een duiker op het terrein van appellant zal daardoor komen te vervallen. De nieuwe duiker zal, evenals in de huidige situatie, worden aangesloten op het bestaande stelsel van watergangen en duikers in Park Leeuwenstein. Vervolgens zal de watergang afwateren in de Vliet. Het hemelwater dat in de grondlaag op het dak van de tunnel zijgt zal door drainagebuizen naar de zijtakken van de watergang ten noorden van het perceel van appellant worden afgevoerd.

2.4.4. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding om te oordelen dat de toename van het waterbergend vermogen in het plangebied onvoldoende zal zijn om verlies aan mogelijkheden voor inzijging van hemelwater te compenseren of dat het voornoemde stelsel van duikers en watergangen minder effectief in het voorkomen van wateroverlast op het perceel van appellant zal zijn dan de door appellant gewenste sloot. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt niet uit de notitie van de Grontmij

van 23 februari 2001 gericht aan Sijtwende B.V. inzake de waterkwaliteit in deelgebied 4 dat de aanleg van de watergang tot aan het trottoir van het Oosteinde noodzakelijk is voor de waterafvoer. Voorzover appellant heeft aangevoerd dat sinds de aanleg van de tunnelbak sprake is van vernatting in de kelder onder zijn huis, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar betrekking heeft op de uitvoering van het plan en als zodanig niet in deze procedure aan de orde kan komen.

De Afdeling acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat het doortrekken van de watergang langs het perceel van appellant noodzakelijk is uit overwegingen van veiligheid en privacy. Zij neemt hierbij in aanmerking dat de gronden tussen de perceelsgrens en het geprojecteerde bouwblok de aanduiding "tuin en onbebouwd erf" hebben gekregen.

Wat betreft mogelijke schade aan de eigendommen van appellant door de aanleg van de watergang direct langs een deel van zijn perceelsgrens, bestaat geen grond voor het oordeel dat eventuele schade zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.5. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze plandelen.

Het beroep van appellant is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os-Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Os-Ravesloot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

248.