Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200205101/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205101/1.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 9 augustus 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 1997 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) een aanvraag van [aanvrager] van 3 oktober 1997 om huursubsidie voor het tijdvak 1 december 1996 tot en met 30 juni 1997, afgewezen.

Bij besluit van 8 april 1998 heeft de Staatssecretaris het daartegen door

[aanvrager] en [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 december 1999 heeft de arrondissementsrechtbank te Dordrecht het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de Staatssecretaris met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt.

Bij besluit van 5 september 2000 heeft de Staatssecretaris het bezwaar van [aanvrager] en [appellant] wederom omgegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door

[appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 november 2002 heeft de Minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2003, waar appellant in persoon en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.N.S. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellants betoog dat de rechtbank met betrekking tot de hem door de gemeente Graafstroom verstrekte informatie ten onrechte slechts heeft overwogen dat de gemeente hem niet heeft geattendeerd op de mogelijkheid om huursubsidie aan te vragen, omdat de gemeente hem juist expliciet heeft gemeld dat hij geen recht op huursubsidie had, treft geen doel. De bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een bijdrage berust niet bij de gemeente, doch bij de Minister (voorheen: de Staatssecretaris). De gemeente heeft daarbij slechts een adviserende taak. Dat de gemeente appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over de aanvraagprocedure, dan wel over de mogelijkheid, om voor een bijdrage in aanmerking te komen, maakt dat niet anders. De door de gemeente verstrekte informatie kan niet aan de Minister worden toegerekend. De omstandigheid dat appellant er op grond van de informatie van de gemeente aanvankelijk vanaf heeft gezien een aanvraag in te dienen, hoefde voor de Minister dan ook geen aanleiding te vormen om met toepassing van artikel 27, vierde lid, van de Wet individuele huursubsidie tot verlenging van de indieningstermijn over te gaan.

Ook appellants betoog dat de gemeente heeft geweigerd hem tijdig het in artikel 26, tweede lid, van de Wet individuele huursubsidie bedoelde aanvraagformulier te verstrekken, slaagt niet. Nu appellant zich pas bij de rechtbank op deze gang van zaken – die appellant overigens niet aannemelijk heeft gemaakt – heeft beroepen, heeft de Minister daar bij zijn beslissing op bezwaar geen rekening mee kunnen houden. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

195/66-413.