Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200204732/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft bij de beslissing op bezwaar alsnog geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling en bouwvergunning te verlenen op grond van de overweging dat het bouwplan niet in overeenstemming is met artikel 20, eerste lid, van het Bro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204732/1.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Den Bosch van 30 juli 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek (hierna: het college) aan appellant met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel, kadastraal bekend gemeente Laarbeek, plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 12 februari 2001 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 30 juli 2002, verzonden op 7 augustus 2002, heeft de rechtbank te Den Bosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 oktober 2002 heeft [partij] van antwoord gediend.

Bij brief van 23 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door J.W.A. van der Heijden en mr. B.J. Kruse, beiden ambtenaren der gemeente, is verschenen. Tevens is daar [partij], vertegenwoordigd door mr. J.R. van Manen, advocaat te Breda, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een interne verbouwing en een ophoging van de kap van de woning [locatie 1].

2.2. Appellant betoogt tevergeefs dat het college het door [partij] tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunning gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu vast staat dat de percelen van appellant en [partij] aan elkaar grenzen, heeft het college laatstgenoemde terecht aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan “Molenheide” rust op het perceel de bestemming “Woonbos”.

Ingevolge paragraaf II, artikel 4, onder A, sub I, van de planvoorschriften mogen de tot “Woonbos” bestemde gronden uitsluitend worden bebouwd met vrijstaande eengezinshuizen, daarbij behorende aanbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat eengezinshuizen en daarbij behorende aanbouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken mogen worden gebouwd. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, reeds omdat aan het betrokken perceel geen bebouwingsvlak is toegekend.

2.4. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, sub 2, van het Bro komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en:

a. het bruto-vloeroppervlak van de uitbreiding of het bijgebouw niet groter is dan 25m2,

b. de uitbreiding of het bijgebouw bestaat uit één bouwlaag en gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 meter, en

c. de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

2.5. Het college heeft bij de beslissing op bezwaar alsnog geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling en bouwvergunning te verlenen op grond van de overweging dat het bouwplan niet in overeenstemming is met artikel 20, eerste lid, van het Bro.

2.6. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het perceel niet is gelegen binnen de bebouwde kom faalt. De vraag of een perceel al dan niet binnen de bebouwde kom ligt, is een vraag van feitelijke aard. Daarbij is niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft bepalend, doch de aard van de omgeving. Gelet op de gedingstukken en de daarop ter zitting van de zijde van het college gegeven toelichting, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het betrokken perceel is gelegen buiten de bebouwde kom.

2.7. Ook het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat, ook indien het perceel is gelegen buiten de bebouwde kom, vrijstelling kan worden verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van het Bro faalt. Uit de Nota van toelichting bij het Besluit tot wijziging van het Bro blijkt dat onder het begrip ‘aansluitend terrein’ moet worden verstaan het terrein dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Daarbij moet worden gedacht aan een op de kaart van het bestemmingsplan aangegeven begrensd bouwvlak of een begrensd bouwperceel. Een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw moet dus – aldus de toelichting – gerealiseerd worden binnen dergelijke ten behoeve van bebouwing begrensde gronden. Vast staat dat het betrokken perceel geen bebouwingsvlak kent. Het bouwplan heeft derhalve betrekking op gronden waarop ingevolge het geldende bestemmingsplan geen bebouwing is toegestaan, zodat toepassing van artikel 20, eerste lid, onder a, sub 2, gelet op de strekking daarvan, niet mogelijk is. De rechtbank heeft mitsdien terecht vastgesteld dat het college niet bevoegd was vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Alkema, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Alkema w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

58-397.