Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF7014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
200201574/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 106K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201574/1.

Datum uitspraak: 9 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 11 februari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2001 heeft de Staatssecretaris van Defensie (hierna: de Staatssecretaris) aan appellant medegedeeld dat het pand aan de [locatie 1] te [plaats] niet verder in beschouwing zal worden genomen voor het op kosten van het rijk treffen van geluidwerende voorzieningen aan de gevel.

Bij besluit van 12 maart 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie Advisering Bezwaarschriften Defensie van 6 maart 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 11 februari 2002, verzonden op 14 februari 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 mei 2002 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.G.M. van Mierlo, advocaat te

's-Hertogenbosch, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J. van Heusden en drs. A.N. Lefferts, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder e, van de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (de RGV) worden geluidwerende voorzieningen niet aangebracht aan de in artikel 2, eerste lid bedoelde woningen, wanneer ten tijde van de bekendmaking van het isolatieprogramma, bedoeld in artikel 10, eerste lid vast staat dat zij niet voor permanente bewoning geschikt of bestemd zijn of daar niet voor worden gebruikt.

2.1.1. Voor het overige van belang zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank.

2.2. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het pand aan de [locatie 1] te [plaats] niet is bestemd voor permanente bewoning als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder e, van de RGV en derhalve niet in aanmerking komt om op kosten van het rijk te worden uitgerust met geluidwerende voorzieningen.

2.3. Niet in geding is dat het als woning in gebruik zijnde pand aan de [locatie 1] zonder bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is opgericht en ook nooit in een bestemmingsplan als zodanig positief is bestemd.

2.4. Appellant betoogt dat de vraag of er sprake is van bestemd zijn voor permanente bewoning, zoals bedoeld in artikel 3, aanhef en onder e, van de RGV, beoordeeld dient te worden aan de hand van feitelijk gebruik en niet aan de hand van het van overheidswege ter plaatse toegestane gebruik ingevolge het bepaalde in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet.

2.4.1. Dit betoog faalt. Uit de voorschriften van de RGV, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, en de daarbij gegeven toelichting vloeit voort dat voor de uitleg van het begrip “voor permanente bewoning bestemd” in artikel 3, aanhef en onder e, van de RGV niet het feitelijk gebruik bepalend is maar aansluiting dient te worden gezocht bij hetgeen volgens de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening als zodanig is toegestaan, waarbij met name ook van belang is of het betreffende pand met een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is gebouwd. Vast staat dat dit laatste hier niet het geval is, als ook dat gebouwd is op een plaats waar een woning ingevolge het bestemmingsplan niet was toegestaan, terwijl legalisatie nimmer heeft plaatsgevonden. Gelet daarop heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van een voor permanente bewoning bestemd pand in de zin van de RGV.

2.4.2. Anders dan appellant betoogt is het Besluit geluidsgevoelige ruimten van een woning niet relevant voor de vraag of een pand een woonbestemming heeft, maar alleen voor de vraag welke ruimten binnen een woning als geluidsgevoelige ruimte worden aangemerkt.

Dat appellant onroerende zaakbelasting betaalt voor het desbetreffende pand, betekent evenmin dat dit pand voor permanente bewoning is bestemd in de zin van de Regeling.

Ook aan het feit dat het gebruik van het pand als woning 40 jaar is gedoogd, kan appellant niet het recht ontlenen dat de geluidwerende voorzieningen worden aangebracht. Dat feit kan immers niet wegnemen dat zich hier de situatie voordoet van een pand dat zonder de vereiste bouwvergunning is gebouwd – er was immers slechts bouwvergunning verleend voor de bouw van een kippenhok - nimmer is gelegaliseerd, en derhalve in strijd met de wettelijke bepalingen ter plaatse aanwezig is.

Hetzelfde geldt met betrekking tot de beweerde toezegging van de voormalige burgemeester van de gemeente Zeeland dat de illegale situatie zou worden gelegaliseerd. Die legalisatie heeft immers nimmer plaatsgevonden. Dat legalisatie zoals appellant tenslotte heeft aangevoerd in de toekomst mogelijk in het verschiet zou liggen is – wat daarvan ook zij – in dit geding niet van belang. De vraag of het pand in aanmerking kan komen voor het op kosten van het rijk treffen van geluidwerende voorzieningen aan de gevel dient beoordeeld te worden naar de situatie, zoals deze was ten tijde van het bestreden besluit.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003

299.