Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
05-08-2003
Zaaknummer
200304003/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “Het Klooster 2002”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200304003/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het opheffen of wijzigen van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht) van:

de gemeenteraad van Nieuwegein,

verzoeker.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan “Het Klooster 2002”.

Bij besluit van 14 oktober 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben onder meer de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Gildenborg Holding B.V.” en anderen (hierna: Gildenborg Holding B.V.) bij brief van 24 december 2002 beroep ingesteld en de Voorzitter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 9 mei 2003, inzake no. 200206819/2, heeft de Voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 14 oktober 2002 geschorst.

Bij brief van 20 juni 2003 heeft verzoeker de Voorzitter verzocht de voorlopige voorziening op te heffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 juli 2003, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M.J. van Pomeren, advocate te Amsterdam, is verschenen.

Tevens zijn gehoord het college, vertegenwoordigd door ing. B.J. van Wulfften Palthe, ambtenaar bij de provincie, en Gildenborg Holding B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een aansluiting op de A27, een (overslag)haven aan het Amsterdam-Rijnkanaal, een verbreding van het Lekkanaal / Beatrixsluis en in de oprichting van een aantal windturbines. Het college heeft het plan gedeeltelijk goedgekeurd. Goedkeuring is onder meer onthouden aan het noordelijke plandeel met de bestemming “Uit te werken Bedrijventerrein V – UBV”, waar de (overslag)haven is voorzien.

2.2. In de uitspraak van 9 mei 2003 (JB 2003 / 170) heeft de Voorzitter – beknopt weergegeven – onder meer overwogen dat de plankaart een wezenlijk onderdeel van het ontwerp-plan vormt en dat nu deze plankaart niet, althans naar op grond van het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen gedurende een aanmerkelijke periode van terinzagelegging niet, ter inzage heeft gelegen, het niet uitgesloten is te achten dat de Afdeling in de bodemprocedure het besluit van het college wegens strijd met artikel 23, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening reeds hierom niet in stand zal laten.

2.3. In zijn verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening voert verzoeker aan er bij de behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen vanuit te zijn gegaan dat de feiten lagen zoals deze naar voren waren gebracht. Naar aanleiding van de uitspraak heeft hij getracht de daadwerkelijke gang van zaken te achterhalen. Volgens verzoeker blijkt uit zijn reconstructie dat niet aangenomen mag worden dat de ontwerp-plankaart niet enige tijd ter inzage heeft gelegen.

2.4. De Voorzitter wijst er op dat in onderdeel 8.3 van de Nota beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Het Klooster, die op 28 februari 2002 door verzoeker is vastgesteld, is gesteld (met de daarbij aangebrachte cursivering en vette druk): “Bij de hoorzitting (18-12-2001) werd echter duidelijk dat deze kaart <b>in de loop van de terinzagelegging</B> niet meer aanwezig was en blijkbaar is ontvreemd.” Tijdens de zitting op 25 april 2003 heeft verzoeker desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd dat hiervan moet worden uitgegaan. De in het verzoekschrift als nieuw feit beschreven omstandigheid dat het er voor moet worden gehouden dat belangstellenden zich aan het verkeerde loket hebben vervoegd en op grond daarvan de ontwerp-plankaart niet hebben kunnen inzien, noch het ter zitting aangevoerde dat de door verzoeker vastgestelde reactie op de zienswijzen zodanig moet worden gelezen dat aangenomen kan worden dat de plankaart de gehele periode van terinzagelegging aanwezig is geweest, alsmede dat de stellige bevestiging door verzoeker ter zitting van 25 april 2003 van de omstandigheid dat de ontwerp-plankaart niet gedurende de gehele periode van terinzagelegging aanwezig is geweest, niet had mogen worden gegeven, vormen naar het oordeel van de Voorzitter geen nieuwe feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot het opheffen dan wel wijzigen van de getroffen voorlopige voorziening.

De Voorzitter sluit niet op voorhand uit dat verzoeker de reactie op de zienswijze foutief heeft vastgesteld, maar de bewijsvoering dat dat het geval is, vergt een diepgaande analyse van het proces van terinzagelegging met bijvoorbeeld het overleggen van daarop betrekking hebbende begeleidingsformulieren en andere bescheiden en tenminste de aanwezigheid van de desbetreffende plankaart. Met een dergelijke bewijsvoering heeft verzoeker bij het verzoek tot opheffing nog niet een begin gemaakt.

Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding om het verzoek om toepassing van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht toe te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Heijde

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

-349.