Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
200204069/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204069/1.

Datum uitspraak: 2 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], respectievelijk gevestigd en wonend te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft verweerder gedeeltelijk afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om handhavend op te treden jegens de inrichting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Celieplants B.V.” op het perceel Machineweg 302b te Amstelveen. De afwijzing heeft betrekking op het verzoek om handhaving van de voorschriften 8.1, 9.2, en 15.2, verbonden aan de bij besluit van 13 april 1999 aan “Celieplants B.V.” verleende vergunning. Voorzover het verzoek van appellanten betrekking heeft op het handhaven van de aan deze vergunning verbonden voorschriften 8.2, 8.3, 8.5, 9.1, 9.3 en 9.4 heeft verweerder bij dit besluit bepaald dat hij te dien aanzien handhavend zal optreden.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 december 2001 bezwaar gemaakt voorzover daarbij hun verzoek om het treffen van handhavingsmaatregelen is afgewezen ten aanzien van de voorschriften 8.1 en 9.2.

Bij brief van 9 juli 2002, ingekomen bij de rechtbank te Amsterdam op 10 juli 2002, hebben appellanten beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 6 december 2001. Dit geschrift is bij brief van 24 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2002, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling.

Bij besluit van 16 juli 2002, kenmerk 02-4832/LE, verzonden op 18 juli 2002, heeft verweerder het tegen zijn besluit van 2 oktober 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 29 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2002, beroep ingesteld.

Op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroepschrift van 9 juli 2002 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 16 juli 2002.

Bij brief van 8 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2003, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. C.N.J. Kortmann, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. Y. Klaver en ing. F.R. Kroese, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is “Celieplants B.V.” daar gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Vast staat dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift van 6 december 2001 tegen het besluit van 2 oktober 2001. Bij besluit van 16 juli 2002 heeft verweerder een besluit genomen op het bezwaarschrift. Gelet hierop en nu van het tegendeel niet is gebleken, oordeelt de Afdeling dat appellanten geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift. Dit beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Aangezien appellanten bij brief van 29 augustus 2002 tegen de beslissing op het bezwaarschrift beroep hebben ingesteld, welk beroep hierna zal worden besproken, behoeft het beroep dat is ingesteld op 9 juli 2002 geen afzonderlijke bespreking voorzover dat op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt geacht te zijn gericht tegen de beslissing op het bezwaarschrift. Ter zake van het op 29 augustus 2002 ingestelde beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift overweegt de Afdeling als volgt.

2.3. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de weigering van verweerder handhavend op te treden ten aanzien van de voorschriften 8.1 en 9.2 van de vergunning van 13 april 1999. Volgens appellanten heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat voorschrift 8.1 niet als nadere eis geldt, omdat dit voorschrift betrekking heeft op een in artikel 5, eerste lid, onder a, van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) genoemd onderwerp. Wat betreft voorschrift 9.2 op grond waarvan bij de toegang tot het terrein een hekwerk dient te zijn geplaatst, voeren appellanten aan dat ten onrechte niet is aangegeven waarom handhaving niet is aangewezen.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 7 van het Besluit vergunningvoorschrift 9.2 als nadere eis blijft gelden. Voorschrift 8.1 valt naar zijn mening niet onder dit overgangsrecht, zodat de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit vastgelegde geluidgrenswaarden van toepassing zijn. Verweerder heeft aangegeven dat eventuele overtreding van voorschrift 1.1.1 los van deze procedure wordt bezien.

2.3.2. Op 1 oktober 2000 is het Besluit in werking getreden. Niet in geschil is dat het Besluit van toepassing is op de onderhavige inrichting.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit blijven – voorzover hier van belang – voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a.

2.3.3. Bij besluit van 13 april 1999 is krachtens de Wet milieubeheer aan J.J. Celie een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van de onderhavige inrichting. Bij uitspraak van 2 maart 2001, no. 199900567/2, heeft de Afdeling het door appellant A.P. Hendriksen ingestelde beroep tegen het besluit van 13 april 1999 ongegrond verklaard.

De vergunning van 13 april 1999 was gelet op het vorenstaande op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit niet onherroepelijk. Gelijk de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 9 maart 2001, no. 200001718/1 (aangehecht) over een algemene maatregel van bestuur met een vergelijkbare bepaling, komt gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van het Besluit aan de aan de vergunning verbonden voorschriften, waaronder de voorschriften 8.1 en 9.2, derhalve geen betekenis meer toe.

Derhalve heeft verweerder terecht geoordeeld, dat voorschrift 8.1 niet als nadere eis geldt, zodat handhaving van dit voorschrift niet mogelijk was.

Voorzover het betreft voorschrift 9.2 heeft verweerder ten onrechte geoordeeld, dat het geldt als nadere eis. Nu zoals hiervoor is overwogen aan het voorschrift geen betekenis toekomt, hebben verweerders, zij het op andere gronden, terecht het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving van dit voorschrift ongegrond verklaard.

2.3.4. Het beroep tegen het besluit van 16 juli 2002 is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 2002 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2003

191-335.