Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
200105193/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 237 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
M en R 2003, 101
JAF 2003/12 met annotatie van Van der Meijden
JBO 2005/247
JBO 2005/287
JOM 2006/886
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105193/1.

Datum uitspraak: 2 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Central Mudplant and Fluid Services B.V.", gevestigd te Velsen-Noord,

appellante,

en

de naamloze vennootschap “N.V. Service Centrum Grond”, gevestigd te Houten,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2001 heeft verweerster geweigerd een advies krachtens artikel 2, aanhef en onder f, sub 1, van het Besluit stortverbod afvalstoffen (hierna: Bsa) en een verklaring krachtens artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) af te geven voor een door appellante aangeboden partij boorgruisdestillatieresidu.

Bij besluit van 11 september 2001, verzonden op 12 september 2001, heeft verweerster het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit, voorzover gebaseerd op artikel 2, aanhef en onder f, sub 1, van het Bsa heeft appellante bij brief van 22 oktober 2001, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Tegen dit besluit, voorzover gebaseerd op artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wbm, heeft appellante bij brief van 22 oktober 2001 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Haarlem. Dit beroepschrift is door de rechtbank doorgezonden aan de Afdeling.

Bij brief van 14 december 2001 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 april 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerster, vertegenwoordigd door mr. J.A. Suyver, advocaat te Alphen aan den Rijn, [gemachtigde], en mr. A.R.A.L. Norenburg, advocaat te Woerden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 24, van het Bsa, is het verboden in inrichtingen behorende tot een van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, grond, welke verontreinigingen bevat die de interventiewaarden als bedoeld in tabel 1 van de bijlage behorende bij de Circulaire Interventiewaarden bodemsanering te boven gaan op of in de bodem te brengen om deze stoffen daar te laten.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder f, sub 1, van het Bsa geldt het in artikel 1 gestelde verbod niet voorzover de verontreinigde grond wordt aangeboden onder overlegging van een advies van de n.v. Service Centrum Grondreiniging, waaruit blijkt dat de grond niet reinigbaar is.

Ingevolge artikel 17, aanhef en onder d, van de Wbm is niet-reinigbare grond vrijgesteld van de stortbelasting.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wbm moet onder niet-reinigbare grond worden verstaan verontreinigde grond waarvan door middel van een verklaring van een door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instelling is aangetoond dat deze niet reinigbaar is tot een nuttig toepasbaar product.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling aanwijzing instelling afvalstoffenbelasting Wet belastingen op milieugrondslag, zoals deze destijds gold, voorzover hier van belang, is als instelling in de zin van artikel 12, onderdeel e, van de Wet belastingen op milieugrondslag aangewezen het Service Centrum Grond, statutair gevestigd te Utrecht.

2.2. De Afdeling stelt voorop dat op 16 januari 1998 het Bsa is vervallen en het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (hierna: het Bssa) in werking is getreden. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het besluit van 17 mei 2001 en het bestreden besluit, voorzover gebaseerd op artikel 2, aanhef en onder f, sub 1, van het Bsa, berusten op een onjuiste wettelijke grondslag.

2.3. Verweerster heeft bij het nemen van het bestreden besluit, voorzover hier nog van belang, overwogen dat voor het destillatieresidu geen verklaring krachtens artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wbm kan worden afgegeven, aangezien dit residu niet kan worden aangemerkt als grond.

2.4. Appellante voert aan dat verweerster het residu ten onrechte niet heeft aangemerkt als grond. In dit verband stelt zij onder meer dat verweerster aansluiting heeft gezocht bij een onjuist en onvolledig toetsingskader voor de uitleg van de term grond.

2.4.1. Verweerster betoogt dat zij, om te bepalen of een bepaalde stof kan worden aangemerkt als grond, de notitie “Definitie grond en baggerspecie in het kader van de uitvoering van de Wet belastingen op milieugrondslag” van het Ministerie van VROM van 7 april 1999 (hierna: de Definitienotitie) hanteert. Hierin is, zo stelt zij, uitdrukkelijk vermeld dat boorgruis dat verontreinigd is geraakt met verontreinigde stabilisatievloeistof, niet als grond kan worden aangemerkt. Nu het aangeboden materiaal bestaat uit destillatieresidu dat afkomstig is van boorgruis dat met oliehoudende stabilisatievloeistof verontreinigd is geraakt, kan ook dit materiaal naar het oordeel van verweerster niet als grond worden aangemerkt. Aangezien het materiaal in het kader van de Definitienotie vanwege de oorzaak van de verontreiniging niet meer als grond kan worden beschouwd, is volgens verweerster niet meer van belang dat de olie alsnog grotendeels wordt verwijderd of dat andere parameters – die al dan niet van nature voorkomen – verdere be- of verwerking van het materiaal onmogelijk maken.

2.4.2. Ter invulling van de wettelijke term grond is door de Minister van VROM, in overleg met de Belastingdienst en verweerster, op 7 april 1999 de bovengenoemde Definitienotitie vastgesteld. Verweerster heeft deze Definitienotitie opgenomen in haar reglement en hanteert deze zowel voor het afgeven van verklaringen krachtens de Wbm, alsook voor het afgeven van adviezen krachtens het Bssa, als uitgangspunt om te beoordelen of bepaalde stoffen dienen te worden aangemerkt als grond.

In de Definitienotitie is een definitie voor grond opgenomen. Voorts is onder meer vermeld: "Materialen die wel uit de bodem komen, maar als gevolg van een productieproces worden verontreinigd worden beschouwd als een bedrijfsafvalstof niet-zijnde grond. Voorbeelden hiervan zijn […] en boorgruis (in sommige gevallen tijdens het productieproces verontreinigd met verontreinigde stabilisatievloeistof)."

Verweerster heeft voor haar standpunt dat boorgruis dat verontreinigd is geraakt met oliehoudende stabilisatievloeistof niet kan worden aangemerkt als grond, verwezen naar de Definitienotitie. In de Definitienotitie is niet gemotiveerd waarom dit materiaal wordt beschouwd als een bedrijfsafvalstof niet-zijnde grond. Nu verweerster in het bestreden besluit heeft volstaan met zich te baseren op de bedoelde definitie en door haar, net zo min als in de Definitienotitie is geschied, evenmin is gemotiveerd waarom boorgruis dat verontreinigd is geraakt met oliehoudende stabilisatievloeistof niet kan worden aangemerkt als grond en waarom niet van belang is of de olie alsnog grotendeels wordt verwijderd, heeft verweerster niet deugdelijk gemotiveerd waarom zij het boorgruisdestillatieresidu niet als grond heeft aangemerkt. Het bestreden besluit is, voorzover het krachtens de Wbm is genomen, dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6. Verweerster dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de naamloze vennootschap “N.V. Service Centrum Grond” van 11 september 2001;

III. veroordeelt de naamloze vennootschap “N.V. Service Centrum Grond” in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de naamloze vennootschap “N.V. Service Centrum Grond" te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de naamloze vennootschap "N.V. Service Centrum Grond" aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2003

271-361.