Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
200204183/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204183/1.

Datum uitspraak: 2 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 25 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veghel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veghel (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunningen te verlenen voor een kassencomplex ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf en een bedrijfswoning op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 juli 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2002, verzonden op 27 juni 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 september 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door T.J.M. Bockting, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bouwplannen hebben betrekking op de bouw van een kassencomplex en een bedrijfswoning ten behoeve van een nieuw glastuinbouwbedrijf op een van het perceel (nog) af te splitsen gedeelte. Op het perceel is reeds het agrarisch bedrijf van de vader van appellant gevestigd en zijn opstallen ten behoeve van dat bedrijf aanwezig. Het perceel heeft ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “Agrarische doeleinden, vrije vestiging – Av -”. Voor de weergave van de hier relevante bepalingen uit het bestemmingsplan wordt verwezen naar de aangehechte uitspraak van de rechtbank.

2.2. Het college heeft in de beslissing op bezwaar, waarbij het besluit tot het weigeren bouwvergunning te verlenen is gehandhaafd, allereerst overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 70.1 van de planvoorschriften, omdat door realisering van het bouwplan het op het perceel reeds aanwezige bedrijf niet langer als volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt. Appellant voert met succes aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dit artikel in de weg staat aan het verlenen van bouwvergunning. Het begrip “agrarisch bedrijf” wordt immers in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan uitdrukkelijk onderscheiden van dat van “volwaardig agrarisch bedrijf”. Bovendien wordt in artikel 3.2.1 van de planvoorschriften aan bestaande – anders dan aan nieuw te vestigen - agrarische bedrijven niet de eis van volwaardigheid gesteld.

2.3. Niet in geschil is dat het bouwplan, ook indien vrijstelling als bedoeld in artikel 3.3.1 van de voorschriften zou zijn verleend, de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte overschrijdt.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte van het bouwvlak niet kan worden berekend, omdat de breedte daarvan niet overeenkomstig artikel 2.1, aanhef en onder f, van de planvoorschriften kan worden vastgesteld door het ontbreken van bebouwingsgrenzen op de plankaart. Derhalve kan ingeval van nieuwvestiging, zoals thans aan de orde, niet worden voldaan aan het vereiste dat binnen een bouwvlak moet worden gebouwd. Naar de mening van appellant dient de in artikel 3.2.1 neergelegde oppervlaktemaat in geval van nieuwvestiging dan ook buiten toepassing te worden gelaten.

2.5. Dit betoog faalt. In het bestemmingsplan wordt een onderscheid gemaakt tussen bouwblokken die als zodanig op de plankaart zijn aangegeven, en zogenaamde verbale bouwvlakken, zoals hier aan de orde. Blijkens de bij het bestemmingsplan behorende toelichting zijn de verbale bouwvlakken uitsluitend met een indicatieve cirkel op de plankaart aangeduid. Dit betekent dat de bebouwingsgrenzen op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden, vrije vestiging – Av – “ niet uit de plankaart volgen, maar uit de planvoorschriften. In artikel 1.2.8 van de planvoorschriften is omschreven wat onder een bouwvlak moet worden verstaan en uit artikel 3.2.1 volgt dat de bebouwing geconcentreerd dient te worden binnen een bouwvlak van maximaal 1 ha, dat de breedte van het bouwvlak minimaal 60 meter en de afstand tot de as van de weg, waaraan gebouwd wordt, minimaal 15 m moet bedragen.

Gelet op de systematiek van het bestemmingsplan moet worden geoordeeld dat de in artikel 2.1, aanhef en onder f, van de planvoorschriften neergelegde wijze van meten tussen twee op de plankaart aangegeven bebouwingsgrenzen geen betrekking kan hebben op de verbale bouwvlakken. In zoverre dient dit artikel buiten toepassing te worden gelaten. De Afdeling kan niet met appellant instemmen dat dit ook moet gelden voor artikel 3.2.1, onder a, van de planvoorschriften. In dit artikel is immers geen sprake van bebouwingsgrenzen, die in acht zouden moeten worden genomen.

Voor de juistheid van de stelling van appellant dat deze verbale bouwvlakmethode in strijd is met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, is geen aanknopingspunt aanwezig.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het oordeel van de rechtbank dat het college de gevraagde bouwvergunning wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan terecht heeft geweigerd, juist is.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. E.H.M. Hirsch Ballin en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2003

53-412.