Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
200202885/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 256 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2003/4406
JB 2003/130 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202885/1.

Datum uitspraak: 2 april 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 18 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: burgemeester en wethouders) een aanvraag van appellant om bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel), buiten behandeling gesteld wegens de onvolledigheid ervan.

Bij besluit van 3 juli 2001 hebben zij het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2002, verzonden op 19 april 2002, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H.J.W. van Wijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2.2. Burgemeester en wethouders hebben de bouwaanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant op de bij de bouwaanvraag behorende situatietekening de eigendomsgrens van het perceel en de afstand van het bouwplan tot de zijdelingse perceelsgrens niet voldoende duidelijk heeft aangegeven. Volgens hen waren die gegevens nodig om de aanvraag aan de planvoorschriften te kunnen toetsen.

2.3. Op de door appellant bij de bouwaanvraag overgelegde situatietekening is de plaats van het bouwplan nauwkeurig aangegeven op een uittreksel uit de ten tijde van het indienen van de aanvraag beschikbare kadastrale kaart. Burgemeester en wethouders konden niet in het kader van de bouwaanvraag nadere gegevens eisen over eigendomsgrenzen van de betrokken grond. Zij hebben dan ook ten onrechte de bouwaanvraag buiten behandeling gesteld op de door hen daartoe gebezigde grond.

2.4. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit om de bouwaanvraag buiten behandeling te laten herroepen.

2.5. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 18 april 2002, in zaak 01/735 WW44, doch slechts voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf van 3 juli 2001 in stand zijn gelaten;

III. herroept het besluit van burgemeester en wethouders van 13 november 2000;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Ooststellingwerf te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de gemeente Ooststellingwerf aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 165,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2003

27-398-378.