Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-01-2003
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
200205287/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/131 met annotatie van CAG
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200205287/1.

Datum uitspraak: 10 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdelinge],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 25 september 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2002 is appellante krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld. De maatregel is op 12 september 2002 na categoriewijziging voortgezet. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister betoogt dat appellante bij het hoger beroep geen belang heeft, voorzover het is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel, nu de rechtbank in eerste en enige aanleg heeft geoordeeld over het verzoek om schadevergoeding en de vrijheidsontnemende maatregel was opgeheven.

2.1.1. Dat betoog faalt. Het hoger beroep richt zich tegen een uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in artikel 94, derde lid, van de Vw 2000. Ingevolge artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000 is de Afdeling bevoegd ervan kennis te nemen. Appellante heeft voorts belang bij het hoger beroep, voorzover bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de haar opgelegde vrijheidsontnemende maatregel ongegrond is verklaard, omdat die beslissing bepalend was voor het lot van haar verzoek om schadevergoeding. Dat de Afdeling niet bevoegd is kennis te nemen van een hoger beroep tegen de afwijzing van dat verzoek, doet daaraan niet af.

2.2. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 bevat het

hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Vw 2000 kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich bij haar uitspraak beperken tot een beoordeling van de aangevoerde grieven.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan zij zich, indien zij oordeelt dat een aangevoerde grief niet tot vernietiging kan leiden, bij de vermelding van de gronden van haar uitspraak beperken tot dit oordeel.

2.3. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000, meer in het bijzonder van de artikelen 85 en 91 - gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 9-12 - is te lezen dat is gekozen voor een beperkte vorm van hoger beroep die de Afdeling in staat stelt om grote aantallen zaken, waarin geen vragen spelen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, op snelle en doelmatige wijze af te doen. De gewone behandeling wordt gereserveerd voor zaken waarin dergelijke vragen wel zijn gerezen.

2.4. Appellante beoogt onder 11 van het hoger-beroepschrift kennelijk te betogen dat zij een aanvraag om een verblijfsvergunning had ingediend, zodat zij ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 hier te lande rechtmatig verblijf had.

Zij voert onder 12 voorts aan dat haar recht op rechtsbijstand is geschonden.

2.4.1. Hetgeen aldus is aangevoerd, is louter een herhaling van in beroep aangevoerde gronden, waarop de rechtbank heeft beslist. Mitsdien is geen sprake van grieven in de zin van artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000.

2.5. Hetgeen onder 1 en 2 is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat deze grieven geen vragen opwerpen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op het bepaalde in artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.6. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan de Minister, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting in bewaring stellen de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, van de Vw 2000.

2.7. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, goedgekeurd bij besluit van 19 december 1994, Pb. EG, L 357/1 (hierna: de Overeenkomst), voor zover thans van belang, verleent elke Lid-Staat voor de vestiging van Roemeense vennootschappen en onderdanen en voor de exploitatie van op zijn grondgebied gevestigde Roemeense vennootschappen en onderdanen een niet minder gunstige behandeling dan die, welke aan zijn nationale vennootschappen en onderdanen wordt verleend.

Ingevolge artikel 45, vijfde lid, aanhef, onder a, sub i, van de Overeenkomst, voor zover thans van belang, wordt onder ‘vestiging’ voor onderdanen verstaan het recht op toegang tot economische activiteiten anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan. De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst strekt zich niet uit tot het zoeken naar of het aannemen van werk op de arbeidsmarkt van een andere partij en geeft evenmin recht op toegang tot de arbeidsmarkt van de andere partij. Het bepaalde in dit hoofdstuk is niet van toepassing op hen die niet uitsluitend zelfstandig zijn.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, eerste zin, voor zover thans van belang, zal geen enkele bepaling van de Overeenkomst de partijen ervan weerhouden hun wetten en voorschriften betreffende toelating en verblijf, de vestiging van natuurlijke personen en het verrichten van diensten toe te passen, op voorwaarde dat zulks niet op zodanige wijze geschiedt dat de toepassing de voor een partij uit een specifieke bepaling van de Overeenkomst voortvloeiende voordelen teniet doet of beperkt.

2.8. In grief 3 klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan de uit de Overeenkomst voortvloeiende aanspraken op verblijf en vestiging. Die klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan niet tot het ermee beoogde doel leiden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.8.1. De grieven 4, 6, 7, 9, en 10 bevatten, in hun onderlinge samenhang gelezen, de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat met de bewaring de Overeenkomst is geschonden. Appellante stelt dat zij aan de Overeenkomst rechtstreeks een verblijfsrecht en het recht op werken als zelfstandige ontleent. Ook voert zij aan dat het in de Overeenkomst neergelegde non-discriminatiebeginsel is geschonden, omdat het haar, anders dan Nederlanders en gemeenschapsonderdanen, niet is toegestaan arbeid te verrichten, alvorens haar een verblijfsvergunning is verleend. Daarnaast betoogt zij dat de wijze, waarop de minister aanvragen, als door haar ingediend, behandelt, een feitelijke belemmering vormt bij vestiging in Nederland. Derhalve hoefde zij de beslissing op haar aanvraag niet af te wachten, alvorens te gaan werken, aldus appellante.

2.8.2. Deze grieven falen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) van 27 september 2001, Barkoci en Malik, nr. C-257/99, (gepubliceerd in: Jur. 2001, p. I-06557 en AB 2001, 402) moet worden afgeleid dat het aan artikel 45, eerste lid, van de Overeenkomst ontleende recht van vestiging en de daaruit voortvloeiende rechten van toelating, verblijf en het verrichten van arbeid als zelfstandige niet absoluut zijn, maar de uitoefening ervan door de Lid-Staten op grond van artikel 59, eerste lid, van de Overeenkomst mag worden gereguleerd. Hieruit volgt dat de vreemdeling geen verblijfsrecht rechtstreeks aan de Overeenkomst ontleent, maar dat het overeenkomstig bepalingen van nationaal recht op aanvraag verleend kan worden door de minister. Wat betreft de gelijke behandeling ten opzichte van Nederlanders is in voormeld arrest van het HvJEG bovendien overwogen dat ten aanzien van onderdanen van andere lidstaten andere maatregelen getroffen kunnen worden dan ten aanzien van eigen onderdanen. Verder geldt voor EG-onderdanen dat zij het recht op vestiging rechtstreeks ontlenen aan artikel 52 Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans artikel 43.

2.8.3. Dat appellante in afwachting van een beslissing op de aanvraag rechtmatig in Nederland verblijft, maakt niet dat zij in dat stadium aan de Overeenkomst aanspraak kan ontlenen om hier te lande arbeid als zelfstandige te mogen verrichten. Appellante kan dan ook niet worden gevolgd in haar betoog dat dit recht rechtstreeks uit de Overeenkomst voortvloeit. Zolang appellante niet heeft voldaan aan de in de Nederlandse wetgeving gestelde procedurele vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning en het daaraan gekoppelde en aan de Overeenkomst ontleende recht om arbeid te verrichten als zelfstandige, is haar het verrichten van arbeid hier te lande in elk geval niet toegestaan. Uit het hierboven vermelde arrest van het HvJEG, in het bijzonder r.o. 79, moet worden afgeleid dat het op deze wijze reguleren van de aanspraak op vestiging in overeenstemming is met artikel 59 van de Overeenkomst. Anders dan appellante in grief 7 betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het verbod om te werken, zolang niet op de aanvraag is beslist, uit het systeem van de wet volgt. De grieven 5 en 8 met betrekking tot de toepasselijkheid van de Wet arbeid vreemdelingen behoeven geen bespreking.

2.9. Voor zover de grieven van appellante zich richten tegen het besluit van 12 september 2002, falen zij evenzeer. Appellante had ten tijde van het nemen van dat besluit haar aanvraag ingetrokken, zodat geen sprake was van rechtmatig verblijf.

2.10. Hetgeen overigens door appellante is betoogd behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen bespreking.

2.11. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2003

15-433.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,