Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
200201733/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201733/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Heemstede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 juni 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "De La Salle".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 januari 2002, kenmerk 2001-24439, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 26 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2002, en appellant sub 2 bij brief van 27 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 7 mei 2002.

Bij brief van 17 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van de [vergunninghouder]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2003, waar appellant sub 1 en appellant sub 2, beiden in persoon en bijgestaan door mr. drs. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door ing. G.A.M. Klaassen en J. ter Haak, ambtenaren van de gemeente, en [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. I.M. Harms, advocaat te Rotterdam, [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bouw van vier woongebouwen met in totaal 34 appartementen op het terrein van de voormalige Pabo “De La Salle” aan de Glipperweg. De appartementen worden gedeeltelijk gebouwd op de plaats van de voormalige Pabo en gedeeltelijk daarbuiten.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend. Zij hebben onder meer aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan de eisen die in het streekplan Kennemerland (verder: het streekplan) worden gesteld inzake de toepassing van de zogenoemde passieve afwijkingsbevoegdheid.

2.4. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij de beoordeling van het bestemmingsplan aangesloten bij het streekplanbeleid inzake landgoederen en buitenplaatsen. Verweerder heeft dit streekplanbeleid in redelijkheid van toepassing kunnen verklaren op het onderhavige gebied. Om verval van landgoederen te voorkomen biedt dit beleid mogelijkheden te komen tot wijziging van functie en uitbreiding van bebouwing. Vervangende bebouwing dient op de plaats van de bestaande bebouwing te worden voorzien, aldus het streekplan.

2.5. Vast staat dat de woongebouwen die het bestemmingsplan mogelijk maakt slechts gedeeltelijk zijn voorzien op de plaats van de voormalige bebouwing. Niet in geding is dat verweerder met toepassing van de in het streekplan opgenomen passieve afwijkingsbevoegdheid de mogelijkheid heeft om van dit onderdeel van het streekplan af te wijken. In het streekplan hebben provinciale staten aangegeven volgens welke regels verweerder van deze passieve afwijkingsbevoegdheid gebruik kan maken.

2.6. Uit deze in het streekplan omschreven afwijkingsregels volgt allereerst dat verweerder van deze afwijkingsbevoegdheid alleen gebruik mag maken nadat de Commissie van Advies en Bijstand te kennen heeft gegeven geen overwegende bezwaren te hebben, waarbij degenen die bedenkingen hebben ingediend in de gelegenheid zijn gesteld ten overstaan van deze commissie hun bedenkingen mondeling toe te lichten.

Gebleken is dat verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit advies heeft gevraagd aan de Statencommissie Ruimtelijke Ordening en Bestuur en dat deze commissie op 17 januari 2002 heeft ingestemd met de in het bestemmingsplan voorziene afwijking van het streekplan. Voorts is gebleken dat appellanten op 13 december 2001 in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen mondeling toe te lichten ten overstaan van deze commissie. In zoverre is derhalve aan de betrokken regels voldaan.

2.7. Uit de in het streekplan omschreven afwijkingsregels volgt voorts dat verweerder bevoegd is om van het streekplan af te wijken indien zich geen redelijk alternatief voordoet voor een van het streekplan afwijkend besluit dat door het gemeentebestuur en door het college van gedeputeerde staten wenselijk wordt geacht, waarbij deze bevoegdheid slechts geldt voor gevallen die urgent zijn en waarin het college van gedeputeerde staten met het nemen van een beslissing niet kan wachten tot het streekplan is herzien.

De Afdeling stelt vast dat, anders dan waar verweerder vanuit is gegaan, op grond van het vigerende bestemmingsplan “Natuurgebieden” ter plaatse uitsluitend bebouwing is toegestaan binnen het aangegeven bebouwingsvlak, uitsluitend ten behoeve van het onderwijs, met een maximale hoogte van 10 meter. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat gevreesd behoefde te worden dat een bouwaanvraag zou worden ingediend voor een onderwijsinstelling, aangezien niet is gebleken dat aan een gebouw met deze functie op korte termijn behoefte bestond. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat de gronden in eigendom waren van de Leidse Hogeschool, welke de onderwijsfunctie op deze locatie juist wenste te beëindigen, en dat de gronden later zijn overgedragen aan [vergunninghouder] ten behoeve van de verwezenlijking van genoemde appartementen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder er niet in redelijkheid vanuit kunnen gaan dat van de bebouwingsmogelijkheden die het vigerende plan biedt gebruik zou worden gemaakt voordat het nieuwe streekplan zou zijn vastgesteld, zodat naar het oordeel van de Afdeling niet aan het in de afwijkingsregels genoemde urgentiecriterium is voldaan.

2.8. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder geen gebruik heeft kunnen maken van de hem krachtens artikel 4a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening toegekende bevoegdheid om af te wijken van het streekplan. Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9. In verband met het vorenstaande behoeven de overige bezwaren van appellanten geen behandeling.

2.10. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 29 januari 2002, kenmerk 2001-24439;

III. onthoudt goedkeuring aan het bestemmingsplan "De La Salle";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Noord-Holland als volgt te worden betaald:

1. aan appellant sub 1 een bedrag van € 805,00;

2. aan appellant sub 2 een bedrag van € 483,00;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 elk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Neuwahl

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2003

280-410.