Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
200204631/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204631/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 10 juli 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Beemster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beemster (hierna: het college) aan het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier (hierna: het Hoogheemraadschap) vrijstelling verleend krachtens artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor het inrichten van een baggerdepot op het perceel plaatselijk bekend aan de Zuiddijk ten westen van nr. 4 te Zuidoostbeemster en kadastraal bekend gemeente Beemster, sectie E, nummer(s) 1051 en daarbij bepaald dat het gebruik niet langer mag worden voortgezet dan tot vijf jaar na aanvang van de afwijking van het bestemmingsplan.

Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard voor zover deze zich richten tegen de tijdelijkheid en gegrond verklaard voor zover deze zich richten tegen de zorgvuldigheid waarmee het besluit van 14 februari 2001 is voorbereid en na heroverweging het Hoogheemraadschap opnieuw de vrijstelling als omschreven in het besluit van 14 februari 2001 verleend, onder de (gewijzigde) voorwaarde dat de gronden tegen het einde van de termijn in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht door het afvoeren van de ingeklonken baggerspecie.

Bij uitspraak van 10 juli 2002, verzonden op 15 juli 2002, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief van 23 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2002, en appellant sub 2 bij brief van 22 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 24 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 december 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2003, waar appellant sub 1 in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], appellant sub 2, bijgestaan door mr. J.C.W. de Sauvage Nolting, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door T.J.W. Bult, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is en ook de Afdeling gaat er van uit dat het baggerdepot niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1994”.

2.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO, voor zover van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Ingevolge het vierde lid is degeen aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger verplicht na het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn de met het bestemmingsplan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid, dan wel gebruik niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

2.3. Niet meer in geschil is dat de in het besluit van 14 februari 2001 neergelegde termijn van de vrijstelling niet zal worden overschreden.

2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid het algemeen belang om op het betrokken perceel een baggerdepot in gebruik te nemen zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de nadelige gevolgen die daarmee gepaard gaan. Volgens appellanten zijn er andere meer geschikte locaties. Appellant sub 1 betoogt in dit verband dat de aanwezigheid van het baggerdepot tot verzakking van de bodem zal leiden hetgeen schade aan de fundering van zijn woning tot gevolg kan hebben. Appellant sub 2 vreest voor aantasting van landschappelijke waarden, een onbeheersbare groei van onkruid en voor schade aan zijn melkvee.

2.5. Door het college is erkend dat het baggerdepot een aantasting van de landschappelijke waarden tot gevolg heeft. Deze aantasting is echter tijdelijk. Bij de beslissing op bezwaar is aan de vrijstelling uitdrukkelijk de voorwaarde verbonden dat de gronden tegen het einde van de termijn in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht door het afvoeren van de ingeklonken baggerspecie. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat aan het door het college omschreven algemeen belang dat gebaat is bij het in gebruik nemen van het baggerdepot op onderhavig perceel meer gewicht toekomt dan aan deze tijdelijke aantasting van de landschappelijke waarden. De rechtbank heeft daarbij met recht de kostenbesparing en het aantal vervoersbewegingen in aanmerking genomen. Uit de stukken is gebleken dat het waterschap “De Waterlanden” geen toestemming geeft voor de goedkoopste oplossing de bagger op de kant te trekken. Het storten van de bagger uit de Beemstervaart, met kwaliteitsklasse 2, in het buitengemeentelijke depot Nauerna, waar bagger wordt gestort met kwaliteitsklasse 3 en 4, is aanmerkelijk duurder dan de opslag in het depot waar de vrijstelling betrekking op heeft. Daarbij komt dat het aantal noodzakelijke vervoersbewegingen op de dijken door de stort in dit depot op het betrokken perceel in belangrijke mate wordt beperkt. In het betoog van appellanten ziet de Afdeling geen reden om aan het standpunt van het college te twijfelen dat de afvoer van de ingeklonken baggerspecie na het verstrijken van de aan de vrijstelling gekoppelde termijn minder vervoersbewegingen op de dijken tot gevolg heeft in vergelijking tot de vervoersbewegingen die nodig zijn om de bagger meteen in een depot buiten de gemeente te storten. Dit geldt ook voor de stelling van het college dat sprake is van een kostenbesparing ook wanneer rekening wordt gehouden met de kosten van de afvoer van de ingeklonken baggerspecie.

2.6. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college diende te beslissen op de aanvraag om vrijstelling. Bij de beoordeling van deze aanvraag kan een alternatief een rol spelen indien daar met aanmerkelijk minder bezwaren een gelijkwaardig resultaat mee kan worden behaald. In het betoog van appellanten, dat andere met name genoemde locaties huns inziens meer geschikt zijn voor een baggerdepot, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om te concluderen dat daarvan sprake is.

2.7. Het betoog van appellant sub 1 dat vrijstelling geweigerd had moeten worden omdat de aanwezigheid van het baggerdepot tot verzakking van de bodem zal leiden, hetgeen schade aan de fundering van zijn woning tot gevolg kan hebben, kan niet slagen. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot de conclusie gekomen dat hiervoor geen grond bestaat. Niet is aannemelijk geworden dat het depot schade aan de fundering van de woning van appellant sub 1 zal veroorzaken en overigens is ter zitting bevestigd dat het Hoogheemraadschap de bereidheid heeft getoond eventuele schade aan de woning van appellant sub 1 te vergoeden, mocht daarvan toch sprake zijn. Met het oog daarop heeft het een inventarisatie gemaakt van de toestand van de woning van appellant sub 1.

2.8. Het betoog van appellant sub 2 dat het baggerdepot een onbeheersbare groei van onkruid tot gevolg zal hebben waardoor overlast zal ontstaan heeft hij eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Nu niet gebleken is dat dit betoog niet in een eerder stadium van deze procedure naar voren gebracht had kunnen worden, laat de Afdeling dit wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing. Dit geldt ook voor het betoog van appellant waarin hij zijn vrees voor schade aan de gezondheid van zijn vee, als gevolg van het drinken van eventueel verontreinigd water, uit. Hetgeen appellant sub 2 overigens naar voren heeft gebracht omtrent de aanvraag milieuvergunning en de feitelijke uitvoering van de baggerstort heeft geen betrekking op de thans in geding zijnde vrijstelling.

2.9. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht tot de slotsom is gekomen dat het college in redelijkheid de tijdelijke vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Het verzoek van appellant sub 1 om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2003

58-378.