Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6378

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
200203353/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203353/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging Geen Uitbreiding Stort, gevestigd te Bunschoten,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2001 heeft de gemeenteraad van Amersfoort, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 oktober 2001, het bestemmingsplan "Lindeboom" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 mei 2002, nr. 2002REG000992i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 20 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 augustus 2002.

Bij brief van 20 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 12 december 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [partij]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B.J. Meruma, gemachtigde, en W.M. van Bekkum en A. van de Wetering, bestuursleden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en ing. M. van Gessel, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn de gemeenteraad, vertegenwoordigd door ing. Y.H.G. Grutters en A.J. Knol, ambtenaren van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], directeur, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de ophoging van een stortplaats en een uitbreiding daarvan in oostelijke richting, alsmede een uitbreiding van het bestaande aan de stort gerelateerde bedrijfsterrein van het bedrijf [partij]. Het plangebied ligt ten noordwesten van de nieuwe woonwijk Vathorst en ten oosten van de wijk Nieuwland. Verweerder heeft bij zijn bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellante heeft aangevoerd dat de gemeente Amersfoort met [partij] een sanerings- en samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Gelet op de bij die overeenkomst gemaakte afspraken is sprake geweest van belangenverstrengeling en heeft de gemeenteraad derhalve geen zorgvuldige afweging kunnen maken.

2.3.1. Wat betreft dit bezwaar overweegt de Afdeling het volgende. De door appellante bedoelde overeenkomst houdt in dat [partij] twee voormalige stortplaatsen saneert in het gebied waar Vathorst wordt gebouwd, maar alleen wanneer de uitbreiding van haar stortplaats, zoals die in het plan wordt mogelijk gemaakt, ook werkelijk doorgang zal vinden. In artikel 2:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervult. In hetgeen appellante ten aanzien van de met [partij] gesloten overeenkomst heeft aangevoerd waaronder het financiële belang dat de gemeente hierbij zou hebben, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling, geen aanleiding behoeven te zien, te oordelen dat het plan in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand is gekomen.

Overigens merkt de Afdeling op dat het besluit van verweerder en niet dat van de gemeenteraad in deze procedure ter beoordeling voorligt. Verweerder is niet betrokken bij de door appellante genoemde overeenkomst.

2.4. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd. Appellante voert aan dat een onjuiste milieuzonering in het plan is opgenomen, zowel ten aanzien van de stort als ten aanzien van de andere hinderveroorzakende activiteiten, in het bijzonder van de puinbreker, die op de gronden met de bestemming “Afvalverwerkingsterrein” met subbestemming “-Ba(b)-“ plaatsvinden. Voorts stelt appellante dat de in het plan toegestane hoogte van de vuilnisstort niet in verhouding staat tot de aan te houden afstand ten opzichte van de stort en zij acht het plan wat betreft de hoogte van de stort derhalve niet uitvoerbaar. Verder vreest appellante dat het woon- en leefklimaat ernstig zal worden aangetast door geurhinder. Ook maakt de stort volgens appellante, mede gezien de in het plan opgenomen maximale hoogte en de slechte planologische inpassing aan de noordzijde, een onaanvaardbare inbreuk op de landschappelijke waarden. Tevens stelt appellante dat nader onderzoek naar de bodem- en grondwaterkwaliteit had moeten worden verricht.

Voorts voert appellante aan dat van de zijde van de gemeenteraad bij de verkoop van de woningen in de wijk Nieuwland de verwachting is gewekt dat in 2002 de afvalstort zou zijn afgedekt en zou zijn omgevormd tot een recreatief gebied.

2.5. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de hinder ook op een kortere afstand dan de in de VNG-Brochure “Bedrijven en milieuzonering” (hierna: de Brochure) genoemde afstand tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. De gemeenteraad stelt dat uit de milieuvergunning van [partij] blijkt dat het bedrijf de nodige maatregelen neemt om de emissie van met name geluid, stof en geur te beperken. De gemeenteraad is dan ook van mening dat van de in de Brochure genoemde indicatieve afstanden kan worden afgeweken. De gemeenteraad heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat zich ten gevolge van het plan geen buitensporige hinder voor zal doen, mede gelet op de vorm van de stort. Bovendien zal het plan aan de westzijde omgeven worden door een aarden wal. Na afwerking van de stortplaats zal de stort een positieve bijdrage leveren aan het beeld van het natuurlijke gedeelte van Amersfoort.

2.6. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft het plan goedgekeurd. Verweerder stelt dat de in de Brochure genoemde afstanden indicatief zijn en dat de afstand van 250 meter tussen een stortplaats en woningen reeds in de jurisprudentie van de Afdeling is geaccepteerd. Hij stelt verder dat de afstand tussen het actieve stortfront en de woningbouw in de wijk Vathorst 250 meter is en dat ook het bestemmingsplan “Vathorst” van de genoemde afstand uitgaat. Verweerder stelt voorts dat geen verband bestaat tussen de aan te houden afstand tot een stortplaats en de hoogte van een stortplaats. De meest hinderveroorzakende activiteiten zullen worden verplaatst naar het afgeschermde gedeelte van het bedrijfsterrein en deels zal worden gekozen voor een fasering waardoor afwerking versneld kan plaatsvinden. Ook de vormgeving van de stortplaats draagt eraan bij dat de hinder voor omwonenden zoveel mogelijk zal worden beperkt.

Ten aanzien van de recreatieve invulling van het gebied heeft verweerder overwogen dat die invulling pas op termijn zal plaatsvinden.

2.7. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat de hindercontour in plaats van vanaf het stortfront vanaf de grens van het plandeel met de bestemming “Afvalverwerkingsterrein” met de subbestemming “-Ba(a)-“ had moeten worden gemeten, overweegt de Afdeling als volgt. De hindercontour van de stortplaats is niet in dit plan maar in het bestemmingsplan “Vathorst” opgenomen. Niet is gebleken dat in het onderwerpelijke plan is uitgegaan van andere begrenzingen van de subbestemmingen dan waarmee in het bestemmingsplan “Vathorst” rekening is gehouden. Zowel in dit plan als in het bestemmingsplan “Vathorst” wordt uitgegaan van een hinderzone van 250 meter tussen de subbestemming “-Ba(a)-“ en de woningen, dan wel in de toekomst, tussen het actieve stortfront en de dan te bouwen woningen.

Wat betreft het bezwaar van appellante dat de in het plan voorziene afstand tussen de stortplaats en de meest dichtbij gelegen woningen van de wijk Vathorst in strijd is met de afstand zoals genoemd in de realiseringsovereenkomst VINEX-Bouwlocaties Stadsgewest Amersfoort, overweegt de Afdeling als volgt. De genoemde overeenkomst is onder meer ten behoeve van de uitbreiding van de stort aangepast. In de overeenkomst wordt uitgegaan van de begrenzing van de stortplaats zoals opgenomen in dit plan, inclusief de oostelijke uitbreiding van 75 meter. In de overeenkomst is tevens rekening gehouden met een hinderzone van 250 meter gedurende de actieve periode van stort. Nu blijkens de stukken geen kortere afstand dan 250 meter tussen het actieve stortfront en de meest nabij gelegen woningen van de wijk Vathorst zal worden aangehouden, kan de Afdeling appellante niet volgen in dit bezwaar.

2.7.1. Dat de hindercontour van de stortplaats in een ander bestemmingsplan dan het onderhavige is opgenomen neemt niet weg dat verweerder bij de goedkeuring van dit plan moet bezien of de stort ten gevolge van de in dit plan voorziene uitbreiding niet zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat in de aangrenzende wijken.

Wat betreft het bezwaar van de geurhinder overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is dat ten gevolge van het plan voor omwonenden ernstige geurhinder zal ontstaan. Hierbij heeft de Afdeling mede de aan de vergunning gebaseerd op de Wet milieubeheer verbonden voorschriften betrokken. Hierin worden grenswaarden gesteld ten aanzien van de geurhinder die het bedrijf mag veroorzaken. Deze grenswaarden zijn gebaseerd op het bewerkstelligen van een toereikend beschermingsniveau voor de omgeving. Ook is de Afdeling niet gebleken van een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van vogeluitwerpselen, stof of ongedierte, mede gezien het feit dat ook ter beperking van deze hinder aan de milieuvergunning voorschriften zijn verbonden.

2.7.2. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat de maximale hoogte van de stort afbreuk doet aan de landschappelijke waarden van het buitengebied, met name gelet op de slechte planologische inpassing in het noorden, overweegt de Afdeling als volgt. Het gebied ten noorden van het plangebied kent een grote mate van openheid en is grootschalig van karakter. Blijkens de plankaart krijgt de stortplaats een basishoogte van 21,5 meter. Vanuit deze basishoogte rijst een topgedeelte op dat aan de oostzijde een lang, flauw talud heeft en aan de overige zijden een kort, steiler talud. De maximale storthoogte bedraagt 41,5 meter op een klein gebied. Mede gelet op vorm van de stort, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de stortplaats een markante overgang zal vormen tussen het open landschap van het noorden en het stedelijke landschap in het zuiden, zonder een te kolossaal element in het landschap te worden. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts zal door de uitbreiding van de stortplaats de openheid slechts in beperkte mate worden aangetast, aangezien de bestaande stortplaats reeds afbreuk doet aan de openheid van het landschap.

2.7.3. De Afdeling overweegt ten aanzien van het bezwaar van appellante dat het plan een uitbreiding van de stortplaats tot 41,5 meter hoogte mogelijk maakt, terwijl vermoedens van lekkage en van problemen ten aanzien van de drooglegging aanleiding gaven eerst een onderzoek naar de bodem- en grondwaterkwaliteit in te stellen, het volgende. In het kader van het milieueffectrapport (hierna: MER) dat ten behoeve van de milieuvergunning is opgesteld, is de grondwaterkwaliteit beschreven. Volgens het deskundigenbericht in de zaak nr. 200005047/2, betrekking hebbende op de milieuvergunning van [partij], is uit het MER en nadien ingesteld onderzoek niet aannemelijk geworden dat er sprake is van lekkage. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder in zoverre geen aanleiding behoefde te zien een nader onderzoek te gelasten.

Voorzover appellante stelt dat verweerder in het feit dat onvoldoende aan de droogleggingseis kan worden voldaan, aanleiding had moeten zien een nader onderzoek naar de bodem- en grondwaterkwaliteit in te stellen, overweegt de Afdeling als volgt. In de huidige situatie wordt weliswaar niet aan de in het Stortbesluit Bodembescherming gestelde droogleggingseis voldaan, maar niet is gebleken dat de hoeveelheid grondwater die zal moeten worden onttrokken om aan deze eis te voldoen zo groot is dat dit technisch onmogelijk is. Naar het oordeel van de Afdeling is het dan ook niet aannemelijk dat aan de droogleggingseis onvoldoende kan worden voldaan.

Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat de huidige onderafdichting niet bestand is tegen de druk die als gevolg van de ophoging van de afvalstort zal ontstaan, overweegt de Afdeling als volgt. Op twee gedeelten van het terrein is sprake van slechts een enkele onderafdichting, dit in tegenstelling tot de overige terreingedeelten waar sprake is van een dubbele onderafdichting. De eerstgenoemde terreingedeelten zijn ingericht vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Stortbesluit Bodembescherming en zij voldeden aan de destijds geldende eisen. In de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002, nr. 200005047/2, heeft de Afdeling reeds overwogen dat de overige terreingedeelten aan de actuele wettelijke eisen voor de onderafdichting voldoen. Een van de twee terreingedeelten met een enkele onderafdichting betreft de oude zandwinput Zevenhuizen, waaromheen een damwand is aangebracht. Ten aanzien van het tweede terreingedeelte heeft de Afdeling in haar uitspraak van 4 december 2002, nr. 200005047/2, reeds overwogen dat blijkens het Stortbesluit Bodembescherming in de onderhavige situatie geen eisen behoeven te worden gesteld aan de onderafdichting, maar dat kan worden volstaan met het nemen van civieltechnische dan wel geohydrologische maatregelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder, mede gezien het feit dat de kwaliteit van de onderafdichting niet op problemen stuit in milieuhygiënisch opzicht, in zoverre geen aanleiding behoeven te zien een nader onderzoek naar de bodem- en grondwaterkwaliteit in te stellen.

2.7.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de stortplaats geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat in de nabij gelegen woonwijken met zich mee zal brengen. De aangehouden afstand van 250 meter heeft verweerder in afwijking van de Brochure voldoende kunnen achten en de genoemde afwijking is eveneens voldoende gemotiveerd.

Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat verweerder de hinderzone van de stortplaats in relatie tot de hoogte van de stort onvoldoende heeft gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van een rechtevenredig verband tussen de hoogte van de stort en de in acht te nemen hinderzone. Verweerder hoefde zijn besluit op dit punt niet nader te motiveren.

2.8. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat in het plan een hindercontour diende te worden opgenomen voor hinderveroorzakende activiteiten die plaatsvinden op gronden met de subbestemming “Ba(b)”, overweegt de Afdeling als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van de in de Brochure opgenomen afstanden kan worden afgeweken nu verscheidene maatregelen ter beperking van de hinder zullen worden getroffen, zoals een geluidswal. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij heeft de Afdeling mede betrokken dat aan de op de Wet milieubeheer gebaseerde vergunning voorschriften zijn verbonden die strekken tot de bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden tegen ernstige hinder.

2.9. Wat betreft het bezwaar van appellante dat de verwachting is gewekt dat de stortplaats in 2002 reeds zou zijn afgedekt en als recreatiegebied zou worden ingericht, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat dergelijke verwachtingen van de zijde van de gemeenteraad zijn gewekt.

2.10. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat verweerder meer alternatieven had moeten bezien vanwege de, volgens appellante, gebrekkige ruimtelijke inpassing van de stortplaats in het noorden, overweegt de Afdeling als volgt. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.11. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2003

234-425.