Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6369

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
200204094/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 202 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204094/1.

Datum uitspraak: 26 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Assen van 19 juni 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 1999 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd in verband met een arbeidsongeval op een perceel aan de Ankerweg 4 te Amsterdam, alsmede in verband met het ontbreken van een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie.

Bij besluit van 17 juli 2000 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2002 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

Appellante heeft bij brief van 29 januari 2003 een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2003, waar de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H. van Doesburg en I. Mantjes, beiden werkzaam ten departemente, zijn verschenen. Appellante heeft zich, met berichtgeving, niet doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet), zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico’s te voorkomen of te beperken.

Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de Arbowet ziet de werkgever toe op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de in het eerste lid genoemde risico’s alsmede het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Ingevolge artikel 16, negende lid, van de Arbowet, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit en voorzover thans van belang, zijn de werkgever en werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit, kan terzake van de op grond van artikel 16, negende lid, bij algemene maatregel van bestuur omschreven beboetbare feiten een boete worden opgelegd van de eerste of de tweede categorie.

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit), is bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat, zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder b, van het Arbobesluit, voorzover thans van belang, wordt aangemerkt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.16, eerste en derde lid, van het Arbobesluit.

2.2. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het besluit van 22 december 1999 tot het opleggen van een bestuurlijke boete ten bedrage van ƒ 9667,00/€ 4386,69 in verband met een arbeidsongeval op een perceel aan de Ankerweg 4 te Amsterdam, waarbij een werknemer van appellante tijdens het verrichten van werkzaamheden, bestaande uit het afvlakken van de lading van de vrachtwagen, van de vrachtwagen is gevallen en letsel heeft opgelopen, alsmede in verband met het ontbreken van een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie.

2.3. In geschil is slechts de in bezwaar gehandhaafde bestuurlijke boete ten bedrage van ƒ 9000,00/€ 4084,02 in verband met het arbeidsongeval.

2.4. Appellante bestrijdt primair het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van het ongeval sprake was een situatie als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is van valgevaar als het afvlakken op de door appellante voorgestane wijze geschiedt, te weten lopend door het midden van de laadbak. Voorzover er wel sprake zou zijn van valgevaar is appellante van oordeel dat de randen van de laadbak natuurlijke leuningen zijn op grond waarvan valgevaar wordt tegengegaan.

2.5. Ter uitvoering van de regels bij of krachtens de Arbowet heeft de Staatssecretaris de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving opgesteld (Stcrt. 1999, 199, gewijzigd en gepubliceerd in Stcrt. 2000, 139) (hierna: de beleidsregels). In beleidsregel 3.16, onder 1, is vermeld dat het tegengaan van valgevaar bij het verrichten arbeid door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen e.d. (de zogenaamde randbeveiliging) als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit in ieder geval noodzakelijk is indien het valgevaar 2,50 meter of meer is indien de arbeid wordt verricht op statische arbeidsplaatsen, en bij ieder valgevaar indien arbeid wordt verricht op arbeidsplaatsen, die daarbij in beweging zijn of kunnen komen. Verder is onder 7 van deze beleidsregel bepaald dat, voorzover thans van belang, randbeveiligingen bij niet schuine werkvlakken achterwege kunnen blijven, indien de arbeid op meer dan 4 meter afstand van de rand van het werkvlak wordt uitgevoerd en de arbeidszone alsmede de weg daar naar toe duidelijk gemarkeerd zijn. Indien de arbeidszone en de weg daar naar toe tevens zijn afgezet, kan deze afstand tot 2 meter beperkt worden.

Daargelaten of sprake is van een schuin werkvlak, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in dit geval sprake is van valgevaar als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit, nu het valgevaar meer dan 2,50 meter is, namelijk ongeveer 3,95 meter. Voorts valt uit de stukken af te leiden dat de werkzaamheden worden verricht op een afstand van minder dan 2 meter van de rand. Gelet op het bepaalde in beleidsregel 3.16, onder 1 en onder 7, had appellante dan ook randbeveiliging moeten aanbrengen om valgevaar tegen te gaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze randbeveiliging in dit geval niet aanwezig was. De stelling van appellante dat de randen van de bak als natuurlijke leuningen fungeerden, volgt de Afdeling niet. Wat er ook van die stelling zij, uit de ter zitting overgelegde foto’s is gebleken dat de randen vóór en na het uitvlakken geen natuurlijke leuning meer konden vormen, omdat de bak daarvoor te vol was geladen.

De Staatssecretaris heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de door appellante genoemde instructie om bij het afvlakken van de lading door het midden van de laadbak naar achteren te lopen, geen doelmatige voorziening om valgevaar tegen te gaan oplevert. De laadbak was immers niet tenminste 4 meter breed, zodat hoe dan ook niet kon worden voldaan aan de vereiste afstand tot de rand.

Gezien het vorenstaande was de Staatssecretaris dan ook bevoegd appellante een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit.

Hetgeen appellante betoogt met betrekking tot de door de rechtbank aangehaalde memorie van toelichting bij artikel 17 van de Arbowet, doet niet af aan deze bevoegdheid van de Staatssecretaris.

2.6. Het opleggen van de bestuurlijke boete is een sanctie met een punitief karakter, hetgeen mee brengt dat aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen dienen te worden gesteld. Tevens dient bij de oplegging van een dergelijke sanctie de verwijtbaarheid van het beboetbare feit te worden betrokken.

2.7. In hoger beroep herhaalt appellante haar betoog dat sprake is van verwijtbaarheid van het slachtoffer. Zij stelt dat de rechtbank ten onrechte het voorkomen van de val van haar werknemer tot de verantwoordelijkheid van appellante heeft gerekend; deze verantwoordelijkheid lag volgens appellante bij haar werknemer die in strijd met de instructies van appellante op onveilige wijze zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd.

2.8. Dit betoog slaagt niet. Aangezien, blijkens het vorenstaande, ook de door appellante voorgestane werkwijze niet als veilig valt aan te merken, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het niet naleven van het bepaalde in artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit aan appellante moet worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid een boete op te leggen. Van bijzondere omstandigheden die de Staatssecretaris noopten van deze bevoegdheid af te zien, is niet gebleken.

2.9. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Appellante heeft geen met haar situatie op één lijn te stellen geval genoemd, waarin geen boete is opgelegd. Naar de Staatssecretaris heeft gesteld, is een zodanig geval hem ook niet bekend. De stelling van appellante dat de door haar voorgestane werkwijze in haar branche gebruikelijk is, ter ondersteuning waarvan zij verklaringen van twee branchegenoten heeft overgelegd, baat haar, wat daar overigens van zij, niet. In het onderhavige geval is sprake van een onderzoek naar aanleiding van een meldingsplichtig ongeval als bedoeld in artikel 9 van de Arbowet. Gelet op het reactieve karakter van de inspectie in onderhavige zaak is de overtreding, zoals de Staatssecretaris terecht heeft aangegeven, reeds daarom niet op één lijn te stellen met een overtreding die geconstateerd wordt tijdens een algemene, reguliere inspectie, waarbij geen sprake is van een arbeidsongeval ten gevolge van de overtreding.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2003

97-421.