Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6022

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200200647/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200647/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 3 mei 2001, no. 20001944/2, heeft de Afdeling het beroep van appellanten tegen het besluit van verweerder van 7 maart 2000, DB000139CA, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De Afdeling heeft daarbij bepaald dat met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding.

Desgevraagd hebben appellanten bij brief van 18 maart 2002 het verzoek nader toegelicht. Verweerder heeft gereageerd bij brief van 16 augustus 2002.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 november 2002, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. F.P. Dwarka Panday, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.J. de Groot, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

2.2. Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft verweerder besloten bestuursdwang toe te passen ten aanzien van het door appellanten geëxploiteerde restaurant aan de [locatie]. Dit besluit heeft betrekking op de bak- en kookwerkzaamheden in dit restaurant en strekt tot het staken van deze werkzaamheden. Bij uitspraak van 17 december 1999, no. 199903309/1, heeft de Voorzitter van de Afdeling dit besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift. Bij besluit van 7 maart 2000 heeft verweerder naar aanleiding van het tegen het besluit van 26 oktober 1999 gemaakte bezwaar een nieuwe termijn gesteld waarbinnen appellanten de tenuitvoerlegging van de bestuursdwang kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 juli 2000, no. 200001944/1, heeft de Voorzitter van de Afdeling de besluiten van 7 maart 2000 en 26 oktober 1999 geschorst. Bij uitspraak van 3 mei 2001, no. 20001944/2, heeft de Afdeling het beroep van appellanten tegen het besluit van verweerder van 7 maart 2000, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat niet is komen vast te staan dat de inrichting in strijd met voorschrift 1.4.3 van de bijlage behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) in werking was en verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij bevoegd zou zijn tot het toepassen van een bestuurlijk handhavingsmiddel wegens overtreding van voornoemd voorschrift.

2.3. Appellanten betogen dat de besluiten van 26 oktober 1999 en 7 maart 2000 onrechtmatig waren, omdat zij niet in strijd handelden met het Besluit en verweerder derhalve niet bevoegd was handhavend op te treden.

Appellanten vorderen naar aanleiding hiervan in de eerste plaats vergoeding van kosten van investeringen die volgens hen, uit angst voor maatregelen van verweerder, onverplicht zijn gedaan. Appellanten betogen dat zij zich een eventuele ongegrondverklaring van hun beroep bij de Afdeling niet konden permitteren en zekerheidshalve onder druk van de Milieudienst hebben besloten zelf maatregelen te treffen. Het betreft hier het plaatsen van een extra koolfilter, terwijl er volgens appellanten reeds een afdoende functionerend filtersysteem aanwezig was, en de aanleg van een afvoerpijp. De kosten hiervan bedroegen volgens appellanten € 2.854,28.

2.3.1. Verweerder betoogt dat de geclaimde kosten van de aanschaf, op 6 april 1999, van een ontgeuringsinstallatie geen verband houden met het primaire besluit van 26 oktober 1999, noch met het besluit op bezwaar van 7 maart 2000.

Wat de kosten van de afvoerpijp betreft, betoogt verweerder dat appellanten na de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 3 juli 2000 niet behoefden te vrezen dat de inrichting op korte termijn zou worden gesloten, aangezien verweerder op dat moment noch bevoegd, noch van zins was tot sluiting over te gaan. De maatregelen, die appellanten hebben getroffen in maart 2001, houden volgens verweerder dan ook geen verband met het vernietigde besluit. Overigens heeft de aanleg van de pijp volgens verweerder niet onverplicht plaatsgevonden, aangezien hij alsnog een nadere eis zou hebben opgelegd, als de stankklachten niet reeds waren opgehouden.

2.3.2. Met de vernietiging van het besluit van 7 maart 2000 bij de uitspraak van 3 mei 2001 zijn de onrechtmatigheid van dit besluit en de toerekening aan verweerder in beginsel gegeven.

Bij hun brief van 18 maart 2002 hebben appellanten facturen overgelegd ter staving van de kosten van het aanbrengen van het koolfilter en de afvoerpijp, ten bedrage van respectievelijk € 1.957,88 en € 896,40.

De factuur betreffende het aanbrengen van het koolfilter dateert van 6 april 1999. De kosten van 6 april 1999 zijn voorafgaand aan de besluiten van 26 oktober 1999 en 7 maart 2000 gemaakt, naar aanleiding van een brief van verweerder van 28 juli 1998, waarin hij heeft gesteld dat het ontgeuringssysteem dat op dat moment werd toegepast niet werkte en waarin hij appellanten heeft verzocht om binnen twee weken te laten weten of zij bereid waren om een actief koolfilter te laten installeren. Gelet hierop kan geen causaal verband worden aangenomen tussen de besluiten van 26 oktober 1999 en 7 maart 2000 enerzijds en de in zoverre gestelde schade anderzijds. Het verzoek om toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient daarom in zoverre te worden afgewezen.

Ten aanzien van de aanleg van de afvoerpijp zijn facturen overgelegd uit de periode van 13 tot en met 21 juni 2000. Anders dan verweerder stelt, betreft het hier derhalve geen kosten van maatregelen die appellanten hebben getroffen in maart 2001. Nu in voornoemde periode het besluit van 7 maart 2000 in werking was en na 13 juni 2000 de begunstigingstermijn was verstreken, dient de desbetreffende schade te worden geacht te zijn veroorzaakt door het bij uitspraak van 3 mei 2001 vernietigde besluit. Gelet hierop komt het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover het de kosten van de aanleg van de afvoerpijp ten bedrage van € 896,40 betreft, voor inwilliging in aanmerking.

Gelet op het tijdvak waarbinnen de schade is opgetreden (de periode van 13 tot en met 21 juni 2000), dient daarbij de wettelijke rente te worden vergoed vanaf 17 juni 2000 (zijnde de middelste datum van deze periode).

2.4. Appellanten vorderen voorts vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en griffiegelden in de bezwaarschriftprocedure, de twee voorlopige voorzieningprocedures en de beroepsprocedure. Deze kosten dienen volgens appellanten voor vergoeding in aanmerking te komen overeenkomstig de regels die in het algemeen gelden voor de toewijsbaarheid van een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De vergoeding dient volgens appellanten niet beperkt te blijven tot de forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. Onder vermindering van de bedragen die de gemeente reeds heeft voldaan naar aanleiding van de uitspraken van de (Voorzitter van de) Afdeling, bedragen deze kosten volgens appellanten € 7.443,57.

2.4.1. Verweerder betoogt dat de proceskosten die in de beroepsfase zijn gemaakt, niet vallen onder artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht hiervoor een exclusieve regeling geeft.

De kosten van de bezwaarfase vallen volgens verweerder slechts onder artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht als de primaire besluitvorming zodanig was, dat moet worden gezegd dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft genomen. Zijn opvatting dat handhaving direct op voorschrift 1.4.3 van de bijlage behorende bij het Besluit mogelijk was zonder de tussenstap van een nadere eis, was volgens verweerder niet evident onjuist.

Griffierechten vallen volgens verweerder niet onder artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht een exclusieve regeling geeft voor de vergoeding hiervan. Verweerder wijst er voorts op dat deze kosten reeds door de gemeente zijn vergoed.

2.4.2. Ten aanzien van de kosten van juridische bijstand in de voorlopige voorzieningprocedures tegen de besluiten van 26 oktober 1999 en 7 maart 2000 en de beroepsprocedure tegen het besluit van 7 maart 2000, is in de uitspraken van 17 december 1999, 3 juli 2000 en 3 mei 2001 toepassing gegeven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 oktober 2000, no. 199900286/1 (JB 2000/234), moet uit de plaats en de strekking van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het verzoek of beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze kosten langs de weg van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht is om die reden geen plaats. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in zoverre opgevoerde kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de kosten van juridische bijstand in de bezwaarschriftprocedure, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 8 december 1997, no. E03.97.0568 (BR 1998, p. 519) en van 18 november 1999, no. H01.99.0100 (JB 2000/9), dienen, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 16 december 1993, Stb. 650, de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de belanghebbende te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen langs de weg van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Er bestaat geen grond om te oordelen dat sprake is van een bijzonder geval. Het besluit van 26 oktober 1999 was niet dermate gebrekkig, dat moet worden gezegd dat verweerder tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft genomen. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de in zoverre opgevoerde kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de griffierechten overweegt de Afdeling dat in de uitspraken van 17 december 1999, 3 juli 2000 en 3 mei 2001 toepassing is gegeven aan artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht. Wat de griffierechten betreft, is dan ook niet gebleken van schade. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in zoverre gevorderde kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek gedeeltelijk voor inwilliging in aanmerking komt.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. veroordeelt de gemeente Amsterdam (stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld) om aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 896,40 (zegge: achthonderdzesennegentig euro en veertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juni 2000 tot aan de dag van algehele voldoening;

II. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

III. veroordeelt het dagelijks bestuur van het stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld van de gemeente Amsterdam in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 677,57, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Amsterdam (stadsdeel Slotervaart/Overtoomse Veld) te worden betaald aan appellanten.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

271.