Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200204528/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204528/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Dronten,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 16 juli 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2001 heeft appellant (hierna: het college) aan [verzoeker] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie].

Bij besluit van 11 september 2001 heeft het college het daartegen door [partij] en anderen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning ingetrokken.

Bij uitspraak van 16 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voor zover het college daarbij niet heeft beslist dan wel een afwijzende beslissing heeft genomen omtrent het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 19 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 november 2002 heeft [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Deuzeman, ambtenaar van de gemeente, en [verzoeker], bijgestaan door mr. A. Nowee, zijn verschenen. Tevens is [partij], vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, 1°, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.2. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat van een handelen van het college in strijd met artikel 46, derde lid, van de Woningwet geen sprake is, nu het college de toepasselijkheid van die bepaling in de beslissing op bezwaar uitdrukkelijk heeft onderkend. De Afdeling verstaat de beslissing op bezwaar aldus dat de vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, 1°, van het Bro 1985 is geweigerd, omdat volgens het college geen toepassing kon worden gegeven aan deze bepalingen, nu die slechts zouden zien op bouwwerken met een beperkte planologische betekenis.

De tekst van deze bepalingen dwingt echter niet tot de beperkte uitleg die het college daaraan heeft gegeven. Zij geven, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 5 december 2001, 200100460/1, heeft overwogen, de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstelling voor uitbreiding van of voor een bijgebouw bij woongebouwen in de bebouwde kom. Daarbij zijn, afgezien van de voorwaarde dat het aantal woningen gelijk blijft, geen restricties gesteld. Los hiervan staat de vraag of het college, indien zich een geval voordoet als bedoeld in genoemde bepalingen, van zijn bevoegdheid om vrijstelling te verlenen gebruik wenst te maken. In de afweging of al dan niet van die bevoegdheid gebruik moet worden gemaakt, kan de planologische betekenis van een bouwplan een rol spelen.

De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat de aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegde motivering onvoldoende draagkrachtig is, hetgeen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Het college kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft acht geslagen op voormelde uitspraak van de Afdeling van 5 december 2001, omdat deze is gedaan nadat de beslissing op bezwaar was genomen. Deze uitspraak betekent immers niet dat artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef, en onder a, 1°, van het Bro 1985 vanaf de bekendmaking van die uitspraak anders zou moeten worden uitgelegd dan daarvoor, doch dat deze bepalingen vanaf de datum van inwerkingtreding daarvan zo moesten worden uitgelegd als door de Afdeling in die uitspraak is aangegeven.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

58-429.